Modieuze gele laarsjes zijn niets nieuws

De gele Druppies-laarzen. Pic: http://www.druppies.nl

Een telkens terugkerend fenomeen is dat van de namakende fabrikant. Het gaat ongeveer als volgt: ontwerper ‘A’ biedt een ding ter verdere verkoop aan aan een groothandel/fabrikant/groter bedrijf, genaamd ‘B’. B zegt, “Nee, geen interesse” – en lo and behold, korte tijd later komt B zèlf met een vrijwel identiek ontwerp op de markt. Recent overkwam het schoenontwerper Druppies vof.

Het ontwerp in kwestie betreft een jolig geel kinderlaarsje, de ‘Fashion Boot’ van start-up schoenenmakers ‘Druppies’. De ontwerpers zijn eind 2016 aan de slag gegaan, in maart 2017 kwam het laarsje op de markt, en in september 2017 kwam de laars ook in grotere maten uit. Het ging dus blijkbaar wel goed. Maar toen werd het oktober 2018 en Druppies werd ambitieus. Ze wilden het groter aanpakken en namen contact op met een groothandel en importeur van veiligheidskleding, ‘Gevavi’. Kort en goed, Gevavi zei ‘nee’, maar bracht amper drie maanden later zèlf een identieke gele rubberlaars op de markt, onder de naam ‘Groovy’. Druppies sommeerde Gevavi tevergeefs, en stapte vervolgens naar de (voorzieningen)rechter.

De Rechtbank Overijssel citeert in haar vonnis allereerst keurig de ‘auteursrechtelijke template‘ (r.o. 4.3). Kort samengevat: om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, moet een werk een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Stijlkenmerken zijn van bescherming uitgesloten, evenals kenmerken die uitsluitend technisch bepaald zijn.

Helaas voor Druppies, de rechtbank meent dat soortgelijke, oudere laarzen (het vormgevingserfgoed) niet noemenswaardig afwijken van de gele laarzen van Druppies. Halfhoog, een zool met luchtkamers, een wit streepje op een gekleurde band – het was er allemaal al. De rechtbank ziet bij de ‘Fashion boot’ uitsluitend triviale ontwerpkeuzes, stijlkenmerken en technische oplossingen (r.o. 4.8). Het laarsje haalt dus de oorspronkelijkheidsdrempel niet (r.o. 4.9).

Tot zover is dit vonnis niet opmerkelijk. Wat het duidelijk maakt, is hoe moeilijk het is om oorspronkelijke kleding te ontwerpen. In het geval van een rubberlaars heeft een ontwerper immers heel weinig mogelijkheden. Er zou dus van de rechter mogen worden gevraagd dat z/hij welwillend oordeelt over de subtiele vormkeuzes die de ontwerpers hadden; en dat de rechter daarvoor bescherming biedt. Bovendien, uit het tijdsverloop blijkt al wel dat Gevavi heus de intentie had om de Druppies-laarzen na te maken, dus juist Gevavi zou geen welwillendheid mogen verwachten.

Maar de rechter is streng, en mijns inziens zelfs iets al te streng. Wat afwijkt ten opzichte van andere laarzen, zijn bijvoorbeeld twee duidelijke reflectoren onder- en bovenaan de achterkant van de laarzen. De rechter oordeelt dat die reflectoren voor de zichtbaarheid zijn, dus functioneel bepaald. Wat mij betreft, gaat de rechtbank daar wat al te kort door de bocht. De reflectoren hebben weliswaar óók een functie, namelijk de zichtbaarheid vergroten, maar hun afmetingen en de plaats op de laars waar ze zijn geplaatst, zijn ontwerpkeuzes. Subtiele keuzes weliswaar, maar toch.

De rechtbank is al even onaardig over een logo op de hak en aan de zijkant van de laars. Ligt voor de hand, is het oordeel. Bovendien – en dat is een wat merkwaardig extraatje van de rechtbank – heeft een logo een ‘herkomstherkenningsfunctie’ en is het dus ‘functioneel’. Dat laatste mag dan wel zo zijn, maar de herkomstfunctie van een logo is niet afhankelijk van de plek van het logo op het ontwerp, maar van het logo zèlf. Een logo kan bijvoorbeeld op een ongebruikelijke plek worden aangebracht, zodat dan wel degelijk sprake is van een oorspronkelijk ontwerp. De rechtbank verwart hier mijns inziens de merkenrechtelijke functie van een logo in het algemeen met het auteursrechtelijke criterium voor technische uitsluiting. (En terzijde: een logo is ook zelf een ontwerp.)

De moraal van dit vonnis, hoe bitter ook, is tweevoudig. Ten eerste heb ik nu al verscheidene malen (ook in mijn eigen praktijk) gezien hoe een kleine partij die steun zoekt bij een grotere partij geconfronteerd wordt met diefstal en namaak. De enige oplossing lijkt te zijn om voorafgaand aan de besprekingen een geheimhoudingsverklaring en/of een ‘niet-namaak beding’ af te spreken. Ten tweede, ontwerpers van gebruiksvoorwerpen doen er goed aan om luiddruchtig de nadruk te leggen op alle aspecten waar zij originele, niet-technisch bepaalde keuzes hebben gemaakt.

En ten slotte blijft nog een wrange vraag in de lucht hangen: als het ontwerp van die gele laarsjes zo voor de hand liggend en technisch bepaald was, waarom kon Gevavi ze dan pas op de markt brengen nadat Druppies ze hun leuke gele ‘fashion boots’ hadden laten zien?

Vragen, opmerkingen? Mail: contact[at]kracht-advocatuur.com

Voor het integrale vonnis, zie HIER.

Advertenties
Geplaatst in Auteursrecht | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

HP versus 123Inkt: HP verliest octrooi

Tussen printerfabrikant HP en inktleverancier 123Inkt.nl woedt oorlog. Inzet is de prijs van inkjet-cartridges. Het businessmodel van HP (printers verkopen voor kostprijs, inkt voor ongeveer Eur. 2000,- per liter) staat onder druk door concurrenten die goedkopere inktcartridges aanbieden. Tot zover wegen de baten voor HP blijkbaar op tegen de forse kosten. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.

HP beveiligt haar printers met chips die het mogelijk maken dat cartridges van andere merken niet door de printer worden herkend. Sommige van die beveiligingsmaatregelen zijn op zichzelf een uitvinding, waarop HP een octrooi heeft. (Heel kort samengevat, als ik het goed begrijp: op de geheugenkaart van de officiële cartridges van HP staat een softwarecode die met de printer communiceert.) Groot voordeel hiervan voor HP is dat ze niet alleen de producten van concurrerende leveranciers uitschakelt, maar dat ze die leveranciers ook kan aanspreken wegens octrooiinbreuk – althans, tot voor kort.

In de procedure waarin de Hoge Raad nu uitspraak heeft gedaan, vorderde HP  dat Digital Revolution wordt verboden inbreuk te maken op een octrooi van HP. HP voerde daartoe aan dat bepaalde cartridges die Digital Revolution via de website 123inkt.nl aanbiedt  aan alle kenmerken van de conclusies 1 en 2 van het octrooi van HP voldoen.

De Hoge Raad neemt als uitgangspunt (i) dat de octrooiconclusie waarop HP zich beroept behoort tot het type ‘means plus function’ op het gebied van gegevensverwerking en computerprogramma’s; en (ii) dat (op grond van de Guidelines for Examination in the European Patent Office en de rechtspraak van de Technische Kamers van Beroep (TKB) van het Europees Octrooibureau, het ‘EOB’) de toepasselijke maatstaf inhoudt dat functionele kenmerken in een productconclusie moeten worden opgevat als een impliciete definitie van die structurele kenmerken die nodig zijn om een bepaald effect te krijgen indien het product wordt gebruikt volgens de leer van de octrooiconclusie. Conclusies van het type ‘means plus function’ op het gebied van gegevensverwerking en computerprogramma’s moeten daarbij zo worden uitgelegd dat de geclaimde gegevensdrager/computer ‘aangepast’ (adapted for) moet zijn – en niet alleen ‘geschikt’ – om de relevante stappen en functies uit te voeren. Een uit de stand van de techniek bekende gegevensdrager/computer is nieuwheidsschadelijk als deze is ‘aangepast’ – dat wil zeggen: geconfigureerd – om de geclaimde functie uit te voeren.

Met het hof Den Haag oordeelt de Hoge Raad dat elke volgens conclusie 1 geconfigureerde (‘aangepaste’) geheugeneenheid de onder bescherming gestelde werkwijze kan uitvoeren, mits de printer is voorzien van software, die communicatie tussen printer en cartridge-geheugen mogelijk maakt. De slotsom is dat de conclusie waar HP zich op beroept niet nieuw is.

Om alsnog te voldoen aan de nieuwheidseis heeft HP drie mogelijke beperkingen/wijzigingen (‘hulpverzoeken’) van de octrooiconclusies voorgesteld, maar het hof heeft die afgewezen op grond van art. 84 van het Europees Octrooi Verdrag (‘EOV’). Dat artikel luidt: “De conclusies beschrijven het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd. Zij dienen duidelijk en beknopt te zijn en steun te vinden in de beschrijving.”

Weliswaar heeft art. 84 EOV niet rechtstreeks betrekking op zo’ wijzigingsverzoek, maar de Hoge Raad stelt (r.o. 3.4.12 ) dat “De nationale rechter aan wie in een nietigheidsprocedure een hulpverzoek wordt voorgelegd, dient te beoordelen of het octrooi, dat zonder de in het hulpverzoek voorgestelde beperking nietig is, door de voorgestelde beperking geldigheid verkrijgt. Aldus vervult de rechter in zoverre de rol van de verlenende instantie. In dat verband is van belang dat een eerder verleend octrooi door een hulpverzoek als bedoeld in art. 138 lid 3 EOV wordt gewijzigd, zonder dat die wijziging in de verleningsfase aan de daarvoor geldende voorwaarden is getoetst. Daarmee ligt voor de hand dat de rechter aan wie het hulpverzoek wordt voorgelegd, de daarin voorgestelde beperking aan die voorwaarden dient te toetsen. Een andere uitleg zou ertoe kunnen leiden dat een volgens een hulpverzoek gewijzigd octrooi geldig wordt geoordeeld zonder dat is voldaan aan het duidelijkheidsvereiste van art. 84 EOV.”

De Hoge Raad voegt daar nog aan toe dat een octrooi ook in een oppositieprocedure voor het EOB kan worden beperkt en dan ook aan art. 84 EOV kan worden getoetst, zij het alleen wanneer en voor zover de wijziging zelf tot strijd met art. 84 EOV kan leiden. Dit is volgens de Hoge Raad vergelijkbaar met een wijzigingsvoorstel in een nietigheidsprocedure, zoals de onderhavige. Bovendien doen ze het in andere landen ook zo.

HP heeft nog gesteld dat Digital Revolution misschien niet rechtstreeks (‘direct’) inbreuk maakt op een conclusie van het octrooi dat wel geldig is (werkwijze-conclusie 7), maar dan toch zeker indirect. De Hoge Raad schaart zich echter achter het verweer van Digital Revolution dat de aanschaf van een HP printer van een type waarvoor de 123-cartridges geschikt en bestemd zijn, impliceert dat een licentie wordt verkregen om die printer te gebruiken, met inbegrip van de door middel van de software van de controller van de printer daarin geïncorporeerde werkwijze. De printer functioneert immers alleen  met een cartridge die is voorzien van een geheugeneenheid die in staat is met de software van de printer te communiceren Miscommunicatie, bijvoorbeeld omdat de geheugeneenheid niet is ingericht voor toepassing van die werkwijze, leidt onherroepelijk tot het weigeren van de cartridge en dus tot disfunctioneren van het printersysteem, zoals HP ook nadrukkelijk heeft gesteld. Aangezien degene die een HP printer aanschaft mag verwachten dat de printer normaal moet kunnen functioneren, moet die toestemming – behoudens bij de aanschaf van de printer overeengekomen beperkende voorwaarden, die niet zijn gesteld of gebleken – geacht worden zich tevens uit te strekken tot het gebruik van voor die printer geschikte cartridges die zelf geen inbreuk maken op enige productconclusie, zoals al was vastgesteld.

Daarmee valt het doek voor HP, althans in deze procedure. HP wordt veroordeeld in de kosten van Digital Revolution, wat in hoger beroep en in cassatie ongeveer Eur. 290.000,- bedraagt (waar eerste aanleg en de eigen kosten nog bijkomen…)

Maar, ietwat zure conclusie: ondanks het ongelijk en hoe hoog de kosten voor HP dan ook zijn opgelopen, de kosten worden natuurlijk uiteindelijk op de consument afgewenteld. Bovendien verzinnen ze bij HP wel weer iets nieuws, zie ook dit artikel op Emerce.nl.

Voor de zeer leesbare conclusie van Advocaat-Generaal Van Peursem zie: ECLI:NL:PHR:2019:262

Vragen, opmerkingen? Mail: contact[at]kracht-advocatuur.com, en/of zie: http://www.kracht.legal

Geplaatst in Octrooirecht | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

How to build your micro-Utopia and save the planet

Cover book HAVE FAITHI’ve published a, fairly long, essay. Entitled, ‘HAVE FAITH, or How to build your micro-Utopia and save the planet’. Here’s an excerpt. Feel like buying? Scroll down for the URL.

“In the spring of 2016 I fell asleep at the wheel, and then I drove my car into the crash barrier at 80 mph. Waking from the loud noise, I sped on, barely blinking. One week later, I got involved with a British artist, who managed to shatter my self-confidence, expose my thinking as fraudulent, and subsequently left me believing my goals were no more than empty pursuits. Something sweet gone sour was nothing I hadn’t tasted before, but this time I couldn’t even go for a drive.

Thinking back on the moment before I crashed, in a split second between being lost in sleep and coming to my senses, I seemed to remember something holding me. I was aware that I could have been snuffed out like a candle without even noticing it, but instead, there had been something going on, and it wasn’t to do with that sweet sleep of death. It had felt like dissolving in a bath of ink, watching the undertow of the void. In that moment I had clearly and distinctly felt the notion of something living in the realm of absolute nothingness. The memory of this darkness felt like having gone under in something that was watching me with a certain sense of curiosity. What had happened, what had I seen? I had the vague notion of having seen Love itself foreshadowing its appearance, and not in a kind way.

As I tried to regain my composure, I found myself thinking about the things that make up life. Not just your everyday work-buy-consume-die-life, but The Good Life. How to find peace of mind?

I saw how people are fighting, shouting abuse at one another, or actual physical fighting with people getting wounded and maimed. I used to like movies, but even for entertainment, what was on offer was mostly the spectacle of violence. I was awed by how a callous few take everyone’s money, and manage to convince the poor that this is the way it should be. I was thinking how tourists circle the globe, while the oceans are emptied out. And as I was thinking about this state we’re in, I felt myself slip into despair. I was wondering what happens to a society in which rivers of blood are made to flow by the greed of a few and the convictions of many. It seemed to me that at some point in history we have lost sight of something. And I wondered what that ‘something’ might be?

I thought of a line out of T.S. Eliot’s epic poem, ‘The Wasteland’: “Who is the third who walks always beside you? When I count, there are only you and I together, but when I look ahead there is always another one walking beside you. I do not know whether a man or a woman.” I couldn’t remember what lines followed after that, so in my own clunky way I just more or less made something up: “What are these sounds, so that in the midst of night, the house sighs and you hear the clouds move? Why do you feel like singing when at the same time you feel your heart sink? Why is there something and not nothing?”

Then I thought, what does it mean that there is something, and that there is an order to that ‘something’? What is that ‘man or woman’ keeping us company through our lives? Scientists may one day be able to tell us how they think the cosmos is organised, but when you ask, ‘What has organised the cosmos?’, trying to answer that question inevitably leads to an originator. After all, to think no one has organised this, and it’s all merely a fantastic coincidence, seems just as far-fetched and a lot less interesting. Besides, if it’s all just coincidence and science, then our lives mean nothing. If we live these lives because we just happen to be here, then everything is allowed, and if everything is allowed, then nothing is of any value.

However, when you ask, ‘Why is there something and not nothing?’, and when you think, ‘Well, maybe there is an originator, and it’s not all coincidence, and our lives have a meaning that goes beyond our individual experience’ – then a door opens that leads to a way out of the madness. That door opening is what I saw as I was speeding through the darkness…”

The book is for sale HERE

If you’d like to watch a video related to this excerpt, visit the YouTube channel HERE

Geplaatst in Maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Zingeving

Dare to be different (fragment van een reclameposter)

Het is tijd voor een nieuw geloof. Dat klinkt misschien iets krankzinniger dan het is. Je zou makkelijk kunnen denken dat we al problemen genoeg hebben. Populisme, klimaatverandering, plastic, lege oceanen, oorlogen, vluchtelingen, wat al niet. Hebben we daarbij dan ook nog meer geloof nodig? Het antwoord is een onomwonden, ‘ja!’

Er is namelijk heel veel geloof, maar van het verkeerde soort. Er is geloof in ‘de macht van het kapitaal’, er is geloof in ‘de ondergang van het Westen’, er is geloof in ‘industrie’ en in ‘vooruitgang’. Politici als Trump en Baudet geloven dat Het Goede Leven van ‘ons’ is gestolen door niet-Westerse immigranten. Dat de politiek geen feiten meer nodig heeft, is al langer bekend, maar dat de feiten ontkend worden in het zicht van de naderende Apocalypse is een kwestie van geloof in een nogal onheilspellend gedefinieerde ‘welvaart’.

Wij, de verstandige mensen, begrijpen dat het fanatiek propageren van een streven naar economische groei en luxe in wezen een trage moord op de volgende generatie is. Dat is geen kwestie van beeldspraak. De trieste statistieken maken duidelijk dat de planeet om ons heen wordt vernietigd. Arme immigranten aanwijzen als de schuldigen aan de plundering van de natuurlijke welvaart, zal daar niets aan veranderen. Het is in ieders belang dat er een ander soort geloof komt, en snel ook.

De lokroep van de nieuwe volksmenners kan niet worden overstemd door te tamboereren op het eigen gelijk. Het gaat immers om overtuigingen en meningen die geen basis hebben in de kenbare werkelijkheid. Daarom stel ik bij wijze van tegenwicht voor om een nieuw geloof te stichten. We hebben weer geloof in Goden nodig die het leven zin kunnen geven, en die de wereld van vorm kunnen laten veranderen.

Ik geloof dat we Goden nodig hebben, om dezelfde redenen waarom we ook elkaar nodig hebben, en waarom we een leefbare planeet nodig hebben. Die reden is dat we alleen Het Goede Leven kunnen leiden als we een taal hebben om te praten over de redenen waarom we hier zijn, en over wie we zijn, wat we zijn, wat we doen, en hoe we onze acties kunnen richten op een groter goed.

Als je aan zelf denkt als een levend wezen in een wereld van Goden heeft je leven zin. Zeker als die Goden zich dan ook nog een beetje voor jou interesseren. Door over Goden na te denken, kunnen we weer leren om op een andere manier over onszelf te praten. In een wereld van Goden en Demonen  hebben we een taak, en niet alleen maar een baantje. Zonder Goden zijn we hulpeloos overgeleverd aan degenen die het naderbrengen van de Apocalypse tot hun persoonlijke project hebben gemaakt.

In een nieuw essay bepleit ik een geloof, waarin mensen boodschappers aan de goden zijn. Als boodschappers zijn we ervoor verantwoordelijk dat wij de Goden laten weten wat Het Goede Leven inhoudt. Op hun beurt kunnen de Goden ons dan helpen om dat goede leven ook daadwerkelijk te leiden. Hint: in mijn geloof is Epicurus een profeet.

Natuurlijk begrijp ik wel dat ik op zoek ben naar een nieuw Utopia, maar wat dan nog? Waarom zou de term ‘Utopia’ een belemmering zijn voor het doel: een vrediger samenleving op een bloeiende planeet? Verandering op wereldschaal gaat waarschijnlijk langzaam, dus wat ik  voorstel is om micro-Utopias op te richten. Plekken waar mensen samen brood kunnen breken, en met elkaar kunnen praten over wat het betekent om in een wereld van Goden en Demonen te leven. Liever een goed gesprek over Goden dan een slecht gesprek over immigranten en Kunstmatige Intelligentie die iedereen overbodig zal maken.

Voor alle zekerheid: ik ben geen guru of priester, zelfs geen leraar. Maar ik denk dat we een verhaal nodig hebben met diepe wortels in de wereld van de Goden. Alleen zo’n verhaal kan ons hoop bieden – zodat het licht aan het einde van de tunnel inderdaad een nieuwe dageraad betekent en niet de komst van een aanstormende trein. Dwepen met de ondergang van het Westen kan dan later weer.

(Dit alles ter aankondiging van een nieuw essay, voorlopig getiteld: “Het Goede Leven, of: Heb Geloof en Bouw Je Eigen Micro-Utopia” Bezoek alvast de (Engelstalige) website: http://www.eleima.org)

Geplaatst in Maatschappij | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

The Good Life

(The world as seen through the eyes of a God. Pic: James Andahl)

The good life. People used to enjoy it, judging by those brightly coloured photographs from the 1950’s and 1960’s featuring all those familiar faces. The good life was Jackie Kennedy smiling her broadest smile, and it was Grace Kelly becoming Princess Gracia of Monaco, and it was every family driving a pink Cadillac. Mothers in the kitchen looking glamorous, and couples sipping cocktails. It was there for the taking when every paperboy could become a millionaire, and on Saturday night everyone went dancing in their local dance hall, or, if you happened to be French, you could just get yourself the good life with a baguette and a bottle of plonk out in the country, with your children stashed in the back of a Citroën DS. The Good Life was The Beatles singing ‘All You need is Love’ on the first world-wide telecast.

The good life, as lived in the good old days, has been and gone. It has been bought and sold, and then it lost its lustre. It was sold to us with the promise of a new golden era of a global market, and then it just evaporated. The good life came hot on the heels of World War II, it was all the rage in 1967, and then it was gone by the time Margaret Thatcher entered the scene in 1975.

‘The good life’ though, was a materialist fantasy, it was never real. It needed people more than people needed it, and of course it disappeared from sight. The good life was an image perfected by advertising agencies. There never was a lot of Jackie to go around to begin with, and there were only four Beatles. The others could merely sing along with songs about pink Cadillacs, they could not actually own one. Still, the fantasy was attractive enough, so why couldn’t it become a reality? Why did the fantasy ever fade?

I humbly offer two explanations.

The first deals with the principles underlying a globalised, capitalist system. The basic promise of globalisation is that of efficient corporations competing for the consumer’s money by offering the best products at the lowest prices. Even at the level of common sense, this idea is obviously flawed. Inevitably, the ‘most efficient’ corporation will drive production costs down by using the cheapest materials possible and offering wages just above the point where workers will go on strike or otherwise become unproductive. Getting the cheapest materials possible leads to disregard of the environment, and paying the lowest wages acceptable leads to a semi-permanent moving of production facilities to countries with ever-lower wages. Meanwhile, governments trying to create job security for their population will compete with other countries by offering the lowest possible tax rates to the very corporations that will hardly pay their workers. When wages are at their lowest and corporate taxes are all but abolished, the last resort for governments to tempt corporations to stay in their respective countries, is offering the best possible social and physical infrastructure. Both kinds of infrastructure cost money, and so governments are driven into debt. Finally, social unrest will be contained through a combination of an ever expanding surveillance state and brute force. Rampant capitalism ushers in a new age of feudalism, with kings of industry running countries and the people reduced to the status of serfs and slaves.

My second explanation of how the fantasy of the good life has been put on the proverbial back burner goes something like this: Globalisation can only function to the people’s benefit if and when the governments of various countries decide that unfettered capitalism is a dead end street. Instead of thinking about what corporations need, governments need to think about what the people need. The people need an education, food, a clean living environment, sex, drugs, a safe place for the night, and they need to be nursed when they’re ill of health. Finally, when the time has come, they need a dignified way of leaving this world behind. On top of that, they need a common, benign culture, an awareness of history and yes, a moral compass. All this runs contrary to the idea of a highly individualised society in which private property is sacred.

I’m not suggesting that the lion shall sleep with the lamb if only industry, money and private property are abolished. I may be a fool, but I’m not that big of a fool. However, what I do suggest is that ‘The Economy’ is shorthand for a present-day ideology that in essence needs destruction in order to sustain itself. You simply cannot have constant production of consumer goods at ever lower prices without someone or something suffering somewhere. Capitalism, such as we understand it, needs the occasional war. From time to time everything needs to be bombed to smithereens, so that the whole thing can begin again. Weapons are consumer goods as well, let’s face it.

Now, bear with me for a bit. All that once was solid dissolving into air may be an inevitable side-effect of a capitalist economy, but creation and destruction are not actually a capitalist invention. In Indian philosophy some 4,000 years ago, there already is the concept of ‘the great breath of Brahma’. Brahma being, roughly speaking, the Ultimate Source of All, which creates and destroys worlds in a cyclical rhythm. Brahma breathes out and the universe is manifested. With an intake of breath the universe is called back to the source and ceases to exist, but on breathing out again manifestation begins anew.

Brahma is obviously not an ideology, it is a principle of what might be thought of as ‘the reality of the origin’. According to this principle, the Universe is a beginning that is connected to an end that is connected to a beginning. The Universe is a snake forever chasing and catching its own tail, if you will. In this way, creation and destruction are inevitably linked, they will occur time and again, and out of destruction something new will always arise.

So, instead of looking how to ‘fix’ the economy, as a society, we could decide that destruction may come about, because it inevitably does. The Phoenix will forever rise out of its ashes, possibly leaving dinosaurs and people in its wake, and so be it. There is no need to hold on to anything, because there really isn’t anything to hold on to, given that Brahma is the creator as well as the destroyer of worlds, and this Principle will do what it does. Instead of leaving the destroying to Brahma, we might as well do the work ourselves. In that case, at least we have a choice. We can allow for global capitalism to murder us all in a horrible way, leaving our once-blue planet to rock-eating bacteria, or we can change things around and decide to go in another direction. We might just say, ‘Brahma breathes in, and a predatory industry comes to a halt. Brahma breathes out, and a kinder way of living is born.’

(Inspired by events in my own life, as well as by the book of Noah Harari , ’21 Lessons for the 21st Century’​, I offer a way out of the mess humanity has manoeuvred itself into. Other than Harari, I go with Faith. This is a chapter from my forthcoming book, ‘The Good Life and how to find it’​.)

Geplaatst in Maatschappij | Tags: | Een reactie plaatsen

Is de rechtspraak te verfijnd geworden?

In het NRC van vrijdag 11 januari, schreef de ‘juridisch commentator’ Folkert Jensma een stukje naar aanleiding van uitspraken van scheidend Raad voor de Rechtspraak-voorzitter Frits Bakker. Jensma had aan Bakker nog wel wat te vragen, zo schreef de commentator dreigend. ‘Wat dan?’ vroeg ik me af, want dat was niet steeds even duidelijk. In deze blog de vragen van Jensma, met antwoorden van mij.

Het artikel begint met wat opmerkingen over het KEI-debacle, waarover Bakker onder meer heeft gezegd dat men zich ‘verslikt’ heeft in de ingewikkeldheid van het civiele proces. “Er was stevige tegenwerking door deurwaarders, advocatuur en wetenschap, vond Bakker. Dus de sector was niet overtuigd,” schrijft Jensma en hij vraagt zich af: “Zijn rechters te veel gewend dat er gewoon geluisterd wordt?” Die vraag roept meteen een wedervraag op: heeft Jensma de laatste tijd nog weleens met een rechter gesproken? Ik namelijk wel.

Een belangrijk probleem is dat de rechtspraak al jaren geteisterd wordt door bezuinigingen en prestatienormen. De heersende gedachte in de politiek is dat ‘goedkoop en snel’ een prima motto is, al is het maar op papier. Naar de rechters en hun bezwaren wordt niet geluisterd. Griffiers worden wegbezuinigd en rechters moeten over flexplekken zwerven; het is een wonder dat de rechtspraak nog zo goed functioneert als het doet! Zelfs durven rechters het aan om controversiële kwesties uitgebreid gemotiveerd te behandelen, met als bekendste voorbeeld de Urgenda-zaak. Dus dat rechters gewend zijn ‘dat er gewoon geluisterd wordt’? – nou, ze protesteren inmiddels luiddruchtig tegen de bezuinigingen, zonder dat hun protest iets oplevert.

“Rechters mogen dan wel neerkijken op managers en deftig beweren dat ze geen koekjesfabriek bemannen, maar het volk wil óók vonnissen. Liefst vlot,” stelt Jensma. Hartstikke mooi, zou ik zeggen – maar misschien dat ‘het volk’, of althans de vertegenwoordigers daarvan, er dan mee zouden willen ophouden om rechters (en advocaten!) voortdurend te beschuldigen alsof zij degenen zijn die de rechtspraak uithollen. De rechtstaat wordt telkens verder bemoeilijkt door bezuinigingen en steeds nieuwe regelgeving van een twijfelachtig gehalte. In het strafrecht springen bijvoorbeeld de ‘terrorisme’-wetten in het oog (het is mijn vakgebied niet, maar zelfs van enige afstand kun je al wel zien dat er niet veel van deugt); en in civiel recht zijn de door KEI inhoudelijk gegeven regels een aanmoediging om minimaal gemotiveerde uitspraken te doen.

Jensma eindigt zijn column met: “Gaat de rechtspleging vastlopen, of is dat al het geval maar durft niemand dat te zeggen? Dan staat het IT-debacle voor iets groters, namelijk de onbeheersbaarheid van het recht zelf.” Ik weet eerlijk gezegd niet wat dit nu eigenlijk voor een vraag is, maar volgens mij is niet ‘het recht’ onbeheersbaar, maar de neiging van politici om de dagelijkse praktijk op een koopje te willen beheersen met regelgeving en wetten. De zorg van politici lijkt vooral uit te gaan naar het pamperen van grote bedrijven; zie het pijnlijke geschmier van de minister-president rond de afschaffing van de dividend-belasting, of het verzet van de Staat tegen (opnieuw) de Urgenda-uitspraken.

Het IT-debacle staat inderdaad voor iets groters, maar anders dan Jensma meent, staat het niet voor de onbeheersbaarheid van het recht. Het staat voor een ontwikkeling in maatschappij en politiek, waarbij alle heil moet komen van technologie en niet van een  visie op rechtvaardigheid. Het is nog steeds zo dat de meeste rechterlijke uitspraken  desondanks binnen een redelijke termijn worden gedaan en inhoudelijk goed te verdedigen zijn; de echte vraag is: hoe lang nog?

Geplaatst in Effectief procederen, ICT, Maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Waarom faalt ICT bij de overheid? deel 2

De toekomst van gisteren, vandaag! (Pic: EdV)

De herfst nadert en op sommige dagen is het zelfs al een beetje koeler. De aandelenkoersen zijn weer eens gedaald (maar komen er wel weer bovenop) en Zwarte Piet is nog steeds niet onomstreden. Het belangrijkste is dat we de zomer hebben overleefd, al is het gevaar van een dreigend biertekort nog niet geweken. Hoe zou het gaan met de ICT-projecten bij de overheid?

De zomer bracht een stapel boeken naar mijn bureau, waarvan het interessantste ongetwijfeld Ed Finn’s What Algorithms Want was. Een wonderlijk erudiete visie op de kracht van het algoritme als culturele boodschapper: enerzijds is het algoritme niets anders dan ‘een methode om een probleem op te lossen’, maar anderzijds volgt het een visie op hoe de wereld in elkaar zit.

Finn geeft als voorbeeld de interface van Netflix. Bij Netflix wordt de kijker ook andere series aangeraden (‘je keek naar…, waarschijnlijk vind je dit dan ook leuk…’), maar dat is geen louter mechanische kwestie: achter de schermen zijn menselijke ‘curatoren’ voortdurend bezig om de aanbevelingen te verbeteren. Netflix geeft de kijker de indruk  dat z/hij gezien is als mens, zonder het onprettig persoonlijk te maken. Het Netflix-algoritme is een manipulatieve tool, die pretendeert volledig mechanisch te zijn; met als opzet dat de kijker loyaal zal worden aan de interface. Netflix heeft een visie op manieren om de kijker te manipuleren – een dwingende visie die de kijker verandert in een abonnee.

Er is een interessante parallel tussen Finn’s betoog en een heel wat minder verheven boek van Carolien Lucy Schönfeld ‘Hoe IT-projecten slagen en falen‘. Schönfeld’s boek geeft praktijkvoorbeelden en roept meer dan eens de geest op van het eindrapport van de Commissie Elias. De parallel bestaat daaruit, dat de werkende mens in een mal wordt gedrongen door de implementatie van IT-projecten, en die dwang is lang niet altijd vriendelijk of zelfs maar goedbedoeld – en hij is ook nogal eens onwelkom, met alle problemen vandien. Het lijkt erop – al zegt Schönfeld dat niet met zoveel woorden – dat bij stroeve IT-projecten al in een heel vroeg stadium besloten is om in te grijpen in het leven van mensen zonder dat herkend is dat dit ingrijpen in feite die mensen wil veranderen.

Mijn literatuur-onderzoek van de zomer werd ingegeven door wéér een spectaculaire IT-mislukking, die bij de Raad voor de Rechtsspraak door het project KEI (‘Kwaliteit en Innovatie’). Het project is inmiddels hernoemd, maar het geld is weg en met de digitalisering schiet het nog niet zo erg op. De vraag waar ik een antwoord op zocht, was: hoe is het mogelijk dat een project mislukt waarbij zoveel verstandige mensen betrokken zijn? De vele meningen die ik tegenkwam, wezen toch allemaal min of meer in dezelfde richting (voor zover meningen kunnen wijzen), zodat ik vooralsnog tot de volgende hypothese ben gekomen.

Het slagen of mislukken van IT-projecten kan niet voornamelijk een kwestie van tekortschietende techniek zijn. Dat is ongetwijfeld vaak óók het geval, omdat IT-leveranciers er belang bij hebben om hun eigen capaciteiten te overschatten, maar een belangrijkere reden is waarschijnlijk: een overdaad aan ambitie bij de opdrachtgever, gepaard aan onvoldoende visie op nut en noodzaak van de digitalisering zèlf. Het lijkt erop dat als de opdrachtgever (degene met beslismacht) zelf niet het programma hoeft te gebruiken – en daar ook geen commercieel belang bij heeft – het niet ongebruikelijk is om in een vroeg stadium (te) veel ambities te formuleren die te weinig gebaseerd zijn op een visie op de manier waarop de eindgebruiker moet veranderen. De Overheid is simpelweg niet egocentrisch en manipulatief genoeg, zelfs wanneer ze niet goedwillend is.

Als mijn hypothese klopt, dan zou dat verklaren waarom de overheid projecten optuigt die wel getuigen van flinke ambitie, maar die desondanks onvoldoende dwingend zijn en dus telkens verder uitdijen. Het verklaart ook waarom projecten mislukken, hoewel – of juist: omdat – er veel mensen bij betrokken zijn. Wat er vermoedelijk nodig is om meer projecten te laten slagen, is vooral een beter inzicht in nut en noodzaak van het überhaupt optuigen van een IT-project.

Ik kom er op terug. Ondertussen zijn op- en aanmerkingen van harte welkom.

(Vragen? Mail: blog[at]kracht-advocatuur.com)

Geplaatst in ICT, Maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Mislukte ICT-projecten, tijd voor actie!

Pic: ‘Robot Monster’ (1953)

Er gaat wel eens een dag voorbij dat er géén melding wordt gemaakt van weer een mislukt ICT project. Miljoenen Euro’s worden uitgegeven aan digitale infrastructuur zonder dat daar een noemenswaardige verbetering tegenover staat. Tijd om in actie te komen.

De zoekterm ‘mislukte ICT projecten’ levert meer dan 25.000 hits op in Google. Vaak gaat het om overheidsprojecten, omdat die (semi-) openbaar zijn. Bovendien gaat het bij de overheid meteen om honderden miljoenen Euros en dat spreekt tot de verbeelding.

Een recent voorbeeld is de digitalisering van de rechtspraak. Het probleem, reeds vele jaren geleden vastgesteld, leek eruit te bestaan dat het niet mogelijk was om via email met de rechtbanken te communiceren. Een advocaat die snel een stuk bij de griffie wilde krijgen, was aangewezen op de fax (de fax!). Kort samengevat: het eenvoudige probleem zou worden opgelost door het gehele procesrecht te veranderen, zodat (vrijwel) iedere processuele handeling voortaan digitaal zou gaan geschieden.

Er waren hoge verwachtingen en er was wat twijfel. Iedereen pleegde overleg met iedereen, alle betrokkenen ‘in het veld’ werden erbij betrokken. Nieuwe wetten werden door Tweede en Eerste Kamer geloodst. Kort samengevat: deze week kwam het bericht dat de Raad voor de Rechtspraak vooralsnog geen mogelijkheid ziet om het digitale procederen werkelijk in te voeren. Kosten rond de Eur. 200.000.000 (zegge: twee honderd miljoen Euro). Bijverschijnsel is dat sommige rechtbanken de fax al hebben weggegooid maar dat emailen nog steeds niet kan, zodat er nu – net als honderd jaar geleden – uitsluitend per post met zo’n rechtbank kan worden gecommuniceerd.

Het meest verbazingwekkend is dat dit niemand zal verbazen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ICT-projecten regelmatig mislukken, zie de 25.000 Google-hits. De overheid levert spectaculaire voorbeelden, maar in het bedrijfsleven gaat het al even regelmatig fout. Uit eigen kring ken ik talloze voorbeelden. Digitalisering is een krachtig symbool voor de menselijke drang om telkens nieuwe dingen te scheppen en te bouwen in de hoop het bestaan te verbeteren. Maar digitalisering gaat ook gepaard met alle wanhoop, verbijstering, hoogmoed en angst die dat bestaan kenmerken.

Dat het zo vaak misgaat, is een kostbaar probleem en ik heb besloten me dat aan te trekken. Ik ga de focus van mijn kantoor verleggen van IE-inbreuk naar begeleiding van ICT-projecten. Meer specifiek gaat mijn kantoor bedrijven helpen bij digitalisering en om dat op zo’n manier te doen dat ze niet door ICT-leveranciers in problemen worden gebracht. En mochten er bedrijven zijn die al hopeloos in gevecht zijn met een ICT-ontwikkelaar, dan zal mijn kantoor ze daar graag bij bijstaan.

Dat alles en iedereen moet worden gedigitaliseerd, is een geheimzinnige ontwikkeling. “Don’t fix what ain’t broke” zeggen de Amerikanen, maar die waarheid is verouderd. Op zich is er niets tegen op vooruitgang, maar de kans op daadwerkelijke verbetering neemt exponentieel toe als er vantevoren duidelijk wordt bepaald waar die verbetering uit zal gaan bestaan èn hoe die verbetering zal worden bewerkstelligd. Niks ‘beter ten halve gekeerd’, maar ‘beter ten hele geslaagd’!

Het wordt een lange, hete zomer.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos[at]kracht-advocatuur.com)

 

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Auteursrecht, Effectief procederen, ICT, Maatschappij, Robots | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

We are messengers to the Gods

Manifesto+cover+EnglishFor a while now I’ve been thinking about the greater implications of some of the things we do. The ‘we’ being lawyers and their industrious clients. In brief: what we do is further violence. We believe the violence is justified, since our clients are attacked by  competitors and infringers alike and no one need expect them to take it sitting down. Not defending their legitimate interests would be bad for business and thus bad for society in general.

As the alarming reports on the state of the planet accumulate, there may be good reasons to question this belief in legal warfare. Maybe the belief in the interests of business as being inherently legitimate is what got us into this mess in the first place. In fact, ‘business’ is based on so many beliefs and assumptions that it’s probably wise to question not just those beliefs but even the very basis of doing business.

Business, that is in a larger sense: the creation, buying and selling of products and ideas, is supposed to generate ‘welfare’. In a just world therefore, everybody is competing on a level playing field so as to be able to partake in that welfare and/or to profit of its spoils. If the playing field is not level, then it makes sense to either adjust it – f.i. through legal procedures – or for governments to regulate it by law or via trade agreements. However, our civilisation isn’t exactly just, the playing field isn’t exactly level, and one may well question if what is actually generated is welfare let alone wellbeing for all.

It’s hardly a secret that Western welfare has formidable hidden costs. These costs come in the shape of ‘third world’ working conditions that are little better than slavery, turning the oceans into plastic soup, and overall environmental destruction. We know this, yet it’s business as more-or-less usual – could that be because the biggest hidden cost is our own sanity and we’re already too far gone to recognise the madness?

Arguably a sizeable chunk of mankind is better off now than it ever was, at least in terms of money and health; but the madness lies in the pursuit of technological advances and the accumulation of capital at the cost of the animal world vanishing. How can we say we’re better off now when we are living in a world that is a little emptier every day? How can we even believe what we’re doing is justified if we have lost a proper idea of what ‘justice’ means?

The West has been on the rampage for thousands of years; and we’re coming to the end of the road. I believe this is because humanity has lost any sense of its own place in the greater scheme of things. As people, we have lost the sense of living inbetween the riches of the earth and the riches of the invisible world. Still, it may not be too late to regain sanity.

What I refer to as ‘the invisible world’ used to be the realm of the Gods. People used to believe in many Gods and they saw their own lives as connected to the world of the Gods. The divine was everywhere and so it made total sense to treat the natural world with respect – an ancient tree might be home to the spirit of wisdom, a deer could just turn out to be a God in disguise. The practice of animal sacrifice that is now no more than folk lore, was a way of acknowledging that the taking of life is not an insignificant thing.

What I propose, if only as a thought experiment if you wish, is a new Faith: I propose to assume that the Gods are still with us. They haven’t gone away, we have merely changed the way they interact with us. The Gods are showing us what they have learned through our actions. I propose that we think of ourselves as messengers to the Gods and let our actions reflect how we would like these Gods to reciprocate. Taking the divine perspective into account enables society to re-establish a true sense of justice.

As a society and as individuals we have to start acknowledging again how we are all part of the living world. This should be reflected in our actions and so those actions ought to be non-violent, non-destructive, and non-exploitative – and in brief, they should further wellbeing not violence.

Out here in the West we still seem to be mainly concerned with ‘having a career’ and with advancing technology. Even now, our main worry seems to be how to continue our lifestyle even as we know it to be harmful on a scale the world has not seen since the dawn of Man. Instead of worrying about the demands of business, we need to change our inner sense of justice. We need to think of ourselves as messengers to the Gods, and we need to think of what we would like these Gods to learn from us – because right now the Gods are showing us what it really means to be human; and pretty soon we’ll reap the bitter fruits of that particular knowledge.

(For more information, HERE is a video that expands on this. You can also DOWNLOAD THE eBOOK, or visit the website www.eleima.org)

 

 

 

 

Geplaatst in Maatschappij, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vragen over ‘Damn Perignon’ en de vrijheid van meningsuiting

Afbeelding uit besproken vonnis, schilderijen van Cedric Peers.

Kunstenaars halen traditiegetrouw hun inspiratie uit de fles. In het geval van de Belgische kunstenaar Cedric Peers betreft het de flessen  van het champagnemerk ‘Dom Pérignon‘: Peers maakt schilderijen waarop die flessen in een (volgens de rechtbank: ‘suggestieve en zelf licht erotische’) context worden geplaatst. De merkhouder is niet blij.

De verhouding tussen kunstenaars en bekende merken blijft stekelig. Tegenover de wereldberoemde ‘Campbell soup’-schilderijen van Andy Warhol staan talloze rechtszaken tussen kunstenaars en merkhouders. Over het algemeen houden fabrikanten er niet van als hun merk of product in verband wordt gebracht met iets, wat dan ook, dat controverse teweeg kan brengen. Beroemd is de zaak rond de film Alicia uit 1974, waarin een vrouw masturbeert met een Coca Cola-flesje. Oorlog of seks, voor merkhouders is het allemaal even ongewenst. Ook ‘Alicia’ kreeg een rechtszaak aan de broek, met de bijbehorende publiciteit, dus het zal de film geen kwaad gedaan hebben.

Vers in het geheugen staat de zaak tussen kunstenaar Nadia Plesner en tassenfabrikant Louis Vuitton. Plesner maakte een schilderij genaamd ‘Darfurnica’, waarop een naakt zwart jongetje op zijn ene arm een roze chihuahua houdt en aan zijn andere arm een Louis Vuitton-tas draagt. Plesner wilde commentaar geven op de verhouding tussen de berichtgeving over ‘glamour’ en wereldproblemen. Later gebruikte ze de afbeelding ook op tassen. Het enige dat de juristen bij Louis Vuitton zagen, was dat het model van hun tas in verband werd gebracht met wereldleed; zij meenden dat dit de reputatie van Louis Vuitton kon aantasten en poogden Plesner via de rechter het gebruik van (afbeeldingen van) de tas te verbieden.

Enfin, de rechtsontwikkeling gaat op dit gebied niet hard, zie de huidige zaak tegen Cedric Peers dus. Juridisch gezien zit het ongeveer als volgt: tegenover het grondrecht van Dom Pérignon tot ongestoord genot van haar exclusieve rechten op het gebruik van het merk staat naar vaste jurisprudentie van het Europeees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) het belangrijke grondrecht van een kunstenaar om haar of zijn mening te uiten via de kunst. Hierbij geldt dat de kunstenaars een aanzienlijke bescherming genieten ten aanzien van hun artistieke vrijheid, waarbij kunst in beginsel “may offend, shock or disturb” (vgl. EHRM 25 januari 2007, RvdW 2007, 452, Vereinigung Bildender Künstler tegen Oostenrijk, r.o. 26 en 33).

In de Darfurnica-zaak oordeelde de rechter dat het van belang was dat het gebruik door Plesner was aan te merken als “functioneel en proportioneel” en dat het niet een louter commercieel doel diende. Plesner was er niet op uit om in commerciële zin mee te liften op de bekendheid van Louis Vuitton, maar gebruikte de bekendheid van Louis Vuitton om haar maatschappijkritische boodschap over te brengen. Naast de tas gebruikte ze ook een ander luxe/showbusiness-beeld in de vorm van een in roze gestoken chihuahua. Ze suggereerde niet dat Louis Vuitton betrokken zou zijn bij de problemen in Dafur. De rechter stelde dat Louis Vuitton een zeer bekende onderneming is waarvan sommige producten een aanzienlijke bekendheid genieten, die zij ook zelf via advertenties en affichering met beroemdheden aanwakkert. Dat bracht met zich mee dat Louis Vuitton zich in sterkere mate dan andere rechthebbenden kritisch gebruik moest laten weggevallen (vgl. oa. EHRM 15 februari 2005, NJ 2006, 39, Steel en Morris tegen VK, r.o. 94).

Bijna alles wat gold in de Darfurnica-zaak is vergelijkbaar met wat er geldt in de zaak tussen Dom Pérignon en Cedric Peers, zo verkoopt Peers niet alleen zijn kunstwerken maar verkoopt hij ook kleding met daarop afbeeldingen van die werken. Het belangrijkste verschil is dat het Peers juist om gaat om het afbeelden van een wereld van glamour en luxe en niet om kritiek. Waar Plesner de Vuitton-tassen gebruikte als symbool voor Westerse onverschilligheid, gebruikt Peers de Dom Pérignon-flessen en -labels juist om de ‘glamourwaarde’ die ze hebben gekregen door de marketing-inspanningen van de merkhouder. Met name bij de kleding is het mogelijk dat de afbeelding van de Dom Pérignon-flessen (en zelfs de Dom Pérignon-naam) bij het publiek de indruk kan wekken dat er ten minste een verband bestaat tussen de kleding en de merkhouder. De vraag ligt daarmee voor of Peers  merkinbreuk pleegt en/of dat zijn gebruik leidt tot ‘verwatering’ van het merk; of dat hij aanspraak kan maken op zijn uitingsvrijheid als kunstenaar?

Wat de kleding betreft, oordeelt de Belgische rechtbank dat er inderdaad sprake is van merkinbreuk. Maar bij de schilderijen komt ze er niet uit: heeft Peers daarvoor ‘een geldige reden’ die zijn gebruik rechtvaardigen kan? Onder verwijzing naar de Nederlandse uitspraak in ‘Darfurnica’, besluit de rechtbank in Brussel vragen te stellen aan het Benelux Gerechtshof over de criteria die moeten worden gehanteerd:

“Kan de vrijheid van meningsuiting, en de artistieke vrijheid in het bijzonder, zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, een “geldige reden” uitmaken in de zin van artikel 2.20.1.d) van het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom?

In voorkomend geval, welke zijn de criteria die de nationale rechter in aanmerking moet nemen ter beoordeling van het evenwicht tussen die grondrechten, en het belang dat aan elk van die criteria moet worden gehecht?”

Wordt vervolgd!

(Lees het vonnis HIER. Voor de blog over Darfurnica, klik HIER of zie deze video. Vragen of opmerkingen? Stuur een email naar blog[at]kracht-advocatuur.com)

 

Geplaatst in Merkenrecht | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen