Waarom faalt ICT bij de overheid? deel 2

De toekomst van gisteren, vandaag! (Pic: EdV)

De herfst nadert en op sommige dagen is het zelfs al een beetje koeler. De aandelenkoersen zijn weer eens gedaald (maar komen er wel weer bovenop) en Zwarte Piet is nog steeds niet onomstreden. Het belangrijkste is dat we de zomer hebben overleefd, al is het gevaar van een dreigend biertekort nog niet geweken. Hoe zou het gaan met de ICT-projecten bij de overheid?

De zomer bracht een stapel boeken naar mijn bureau, waarvan het interessantste ongetwijfeld Ed Finn’s What Algorithms Want was. Een wonderlijk erudiete visie op de kracht van het algoritme als culturele boodschapper: enerzijds is het algoritme niets anders dan ‘een methode om een probleem op te lossen’, maar anderzijds volgt het een visie op hoe de wereld in elkaar zit.

Finn geeft als voorbeeld de interface van Netflix. Bij Netflix wordt de kijker ook andere series aangeraden (‘je keek naar…, waarschijnlijk vind je dit dan ook leuk…’), maar dat is geen louter mechanische kwestie: achter de schermen zijn menselijke ‘curatoren’ voortdurend bezig om de aanbevelingen te verbeteren. Netflix geeft de kijker de indruk  dat z/hij gezien is als mens, zonder het onprettig persoonlijk te maken. Het Netflix-algoritme is een manipulatieve tool, die pretendeert volledig mechanisch te zijn; met als opzet dat de kijker loyaal zal worden aan de interface. Netflix heeft een visie op manieren om de kijker te manipuleren – een dwingende visie die de kijker verandert in een abonnee.

Er is een interessante parallel tussen Finn’s betoog en een heel wat minder verheven boek van Carolien Lucy Schönfeld ‘Hoe IT-projecten slagen en falen‘. Schönfeld’s boek geeft praktijkvoorbeelden en roept meer dan eens de geest op van het eindrapport van de Commissie Elias. De parallel bestaat daaruit, dat de werkende mens in een mal wordt gedrongen door de implementatie van IT-projecten, en die dwang is lang niet altijd vriendelijk of zelfs maar goedbedoeld – en hij is ook nogal eens onwelkom, met alle problemen vandien. Het lijkt erop – al zegt Schönfeld dat niet met zoveel woorden – dat bij stroeve IT-projecten al in een heel vroeg stadium besloten is om in te grijpen in het leven van mensen zonder dat herkend is dat dit ingrijpen in feite die mensen wil veranderen.

Mijn literatuur-onderzoek van de zomer werd ingegeven door wéér een spectaculaire IT-mislukking, die bij de Raad voor de Rechtsspraak door het project KEI (‘Kwaliteit en Innovatie’). Het project is inmiddels hernoemd, maar het geld is weg en met de digitalisering schiet het nog niet zo erg op. De vraag waar ik een antwoord op zocht, was: hoe is het mogelijk dat een project mislukt waarbij zoveel verstandige mensen betrokken zijn? De vele meningen die ik tegenkwam, wezen toch allemaal min of meer in dezelfde richting (voor zover meningen kunnen wijzen), zodat ik vooralsnog tot de volgende hypothese ben gekomen.

Het slagen of mislukken van IT-projecten kan niet voornamelijk een kwestie van tekortschietende techniek zijn. Dat is ongetwijfeld vaak óók het geval, omdat IT-leveranciers er belang bij hebben om hun eigen capaciteiten te overschatten, maar een belangrijkere reden is waarschijnlijk: een overdaad aan ambitie bij de opdrachtgever, gepaard aan onvoldoende visie op nut en noodzaak van de digitalisering zèlf. Het lijkt erop dat als de opdrachtgever (degene met beslismacht) zelf niet het programma hoeft te gebruiken – en daar ook geen commercieel belang bij heeft – het niet ongebruikelijk is om in een vroeg stadium (te) veel ambities te formuleren die te weinig gebaseerd zijn op een visie op de manier waarop de eindgebruiker moet veranderen. De Overheid is simpelweg niet egocentrisch en manipulatief genoeg, zelfs wanneer ze niet goedwillend is.

Als mijn hypothese klopt, dan zou dat verklaren waarom de overheid projecten optuigt die wel getuigen van flinke ambitie, maar die desondanks onvoldoende dwingend zijn en dus telkens verder uitdijen. Het verklaart ook waarom projecten mislukken, hoewel – of juist: omdat – er veel mensen bij betrokken zijn. Wat er vermoedelijk nodig is om meer projecten te laten slagen, is vooral een beter inzicht in nut en noodzaak van het überhaupt optuigen van een IT-project.

Ik kom er op terug. Ondertussen zijn op- en aanmerkingen van harte welkom.

(Vragen? Mail: blog[at]kracht-advocatuur.com)

Advertenties
Geplaatst in ICT, Maatschappij | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Mislukte ICT-projecten, tijd voor actie!

Pic: ‘Robot Monster’ (1953)

Er gaat wel eens een dag voorbij dat er géén melding wordt gemaakt van weer een mislukt ICT project. Miljoenen Euro’s worden uitgegeven aan digitale infrastructuur zonder dat daar een noemenswaardige verbetering tegenover staat. Tijd om in actie te komen.

De zoekterm ‘mislukte ICT projecten’ levert meer dan 25.000 hits op in Google. Vaak gaat het om overheidsprojecten, omdat die (semi-) openbaar zijn. Bovendien gaat het bij de overheid meteen om honderden miljoenen Euros en dat spreekt tot de verbeelding.

Een recent voorbeeld is de digitalisering van de rechtspraak. Het probleem, reeds vele jaren geleden vastgesteld, leek eruit te bestaan dat het niet mogelijk was om via email met de rechtbanken te communiceren. Een advocaat die snel een stuk bij de griffie wilde krijgen, was aangewezen op de fax (de fax!). Kort samengevat: het eenvoudige probleem zou worden opgelost door het gehele procesrecht te veranderen, zodat (vrijwel) iedere processuele handeling voortaan digitaal zou gaan geschieden.

Er waren hoge verwachtingen en er was wat twijfel. Iedereen pleegde overleg met iedereen, alle betrokkenen ‘in het veld’ werden erbij betrokken. Nieuwe wetten werden door Tweede en Eerste Kamer geloodst. Kort samengevat: deze week kwam het bericht dat de Raad voor de Rechtspraak vooralsnog geen mogelijkheid ziet om het digitale procederen werkelijk in te voeren. Kosten rond de Eur. 200.000.000 (zegge: twee honderd miljoen Euro). Bijverschijnsel is dat sommige rechtbanken de fax al hebben weggegooid maar dat emailen nog steeds niet kan, zodat er nu – net als honderd jaar geleden – uitsluitend per post met zo’n rechtbank kan worden gecommuniceerd.

Het meest verbazingwekkend is dat dit niemand zal verbazen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ICT-projecten regelmatig mislukken, zie de 25.000 Google-hits. De overheid levert spectaculaire voorbeelden, maar in het bedrijfsleven gaat het al even regelmatig fout. Uit eigen kring ken ik talloze voorbeelden. Digitalisering is een krachtig symbool voor de menselijke drang om telkens nieuwe dingen te scheppen en te bouwen in de hoop het bestaan te verbeteren. Maar digitalisering gaat ook gepaard met alle wanhoop, verbijstering, hoogmoed en angst die dat bestaan kenmerken.

Dat het zo vaak misgaat, is een kostbaar probleem en ik heb besloten me dat aan te trekken. Ik ga de focus van mijn kantoor verleggen van IE-inbreuk naar begeleiding van ICT-projecten. Meer specifiek gaat mijn kantoor bedrijven helpen bij digitalisering en om dat op zo’n manier te doen dat ze niet door ICT-leveranciers in problemen worden gebracht. En mochten er bedrijven zijn die al hopeloos in gevecht zijn met een ICT-ontwikkelaar, dan zal mijn kantoor ze daar graag bij bijstaan.

Dat alles en iedereen moet worden gedigitaliseerd, is een geheimzinnige ontwikkeling. “Don’t fix what ain’t broke” zeggen de Amerikanen, maar die waarheid is verouderd. Op zich is er niets tegen op vooruitgang, maar de kans op daadwerkelijke verbetering neemt exponentieel toe als er vantevoren duidelijk wordt bepaald waar die verbetering uit zal gaan bestaan èn hoe die verbetering zal worden bewerkstelligd. Niks ‘beter ten halve gekeerd’, maar ‘beter ten hele geslaagd’!

Het wordt een lange, hete zomer.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos[at]kracht-advocatuur.com)

 

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Auteursrecht, Effectief procederen, ICT, Maatschappij, Robots | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

We are messengers to the Gods

Manifesto+cover+EnglishFor a while now I’ve been thinking about the greater implications of some of the things we do. The ‘we’ being lawyers and their industrious clients. In brief: what we do is further violence. We believe the violence is justified, since our clients are attacked by  competitors and infringers alike and no one need expect them to take it sitting down. Not defending their legitimate interests would be bad for business and thus bad for society in general.

As the alarming reports on the state of the planet accumulate, there may be good reasons to question this belief in legal warfare. Maybe the belief in the interests of business as being inherently legitimate is what got us into this mess in the first place. In fact, ‘business’ is based on so many beliefs and assumptions that it’s probably wise to question not just those beliefs but even the very basis of doing business.

Business, that is in a larger sense: the creation, buying and selling of products and ideas, is supposed to generate ‘welfare’. In a just world therefore, everybody is competing on a level playing field so as to be able to partake in that welfare and/or to profit of its spoils. If the playing field is not level, then it makes sense to either adjust it – f.i. through legal procedures – or for governments to regulate it by law or via trade agreements. However, our civilisation isn’t exactly just, the playing field isn’t exactly level, and one may well question if what is actually generated is welfare let alone wellbeing for all.

It’s hardly a secret that Western welfare has formidable hidden costs. These costs come in the shape of ‘third world’ working conditions that are little better than slavery, turning the oceans into plastic soup, and overall environmental destruction. We know this, yet it’s business as more-or-less usual – could that be because the biggest hidden cost is our own sanity and we’re already too far gone to recognise the madness?

Arguably a sizeable chunk of mankind is better off now than it ever was, at least in terms of money and health; but the madness lies in the pursuit of technological advances and the accumulation of capital at the cost of the animal world vanishing. How can we say we’re better off now when we are living in a world that is a little emptier every day? How can we even believe what we’re doing is justified if we have lost a proper idea of what ‘justice’ means?

The West has been on the rampage for thousands of years; and we’re coming to the end of the road. I believe this is because humanity has lost any sense of its own place in the greater scheme of things. As people, we have lost the sense of living inbetween the riches of the earth and the riches of the invisible world. Still, it may not be too late to regain sanity.

What I refer to as ‘the invisible world’ used to be the realm of the Gods. People used to believe in many Gods and they saw their own lives as connected to the world of the Gods. The divine was everywhere and so it made total sense to treat the natural world with respect – an ancient tree might be home to the spirit of wisdom, a deer could just turn out to be a God in disguise. The practice of animal sacrifice that is now no more than folk lore, was a way of acknowledging that the taking of life is not an insignificant thing.

What I propose, if only as a thought experiment if you wish, is a new Faith: I propose to assume that the Gods are still with us. They haven’t gone away, we have merely changed the way they interact with us. The Gods are showing us what they have learned through our actions. I propose that we think of ourselves as messengers to the Gods and let our actions reflect how we would like these Gods to reciprocate. Taking the divine perspective into account enables society to re-establish a true sense of justice.

As a society and as individuals we have to start acknowledging again how we are all part of the living world. This should be reflected in our actions and so those actions ought to be non-violent, non-destructive, and non-exploitative – and in brief, they should further wellbeing not violence.

Out here in the West we still seem to be mainly concerned with ‘having a career’ and with advancing technology. Even now, our main worry seems to be how to continue our lifestyle even as we know it to be harmful on a scale the world has not seen since the dawn of Man. Instead of worrying about the demands of business, we need to change our inner sense of justice. We need to think of ourselves as messengers to the Gods, and we need to think of what we would like these Gods to learn from us – because right now the Gods are showing us what it really means to be human; and pretty soon we’ll reap the bitter fruits of that particular knowledge.

(For more information, HERE is a video that expands on this. You can also DOWNLOAD THE eBOOK, or visit the website www.eleima.org)

 

 

 

 

Geplaatst in Maatschappij, Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vragen over ‘Damn Perignon’ en de vrijheid van meningsuiting

Afbeelding uit besproken vonnis, schilderijen van Cedric Peers.

Kunstenaars halen traditiegetrouw hun inspiratie uit de fles. In het geval van de Belgische kunstenaar Cedric Peers betreft het de flessen  van het champagnemerk ‘Dom Pérignon‘: Peers maakt schilderijen waarop die flessen in een (volgens de rechtbank: ‘suggestieve en zelf licht erotische’) context worden geplaatst. De merkhouder is niet blij.

De verhouding tussen kunstenaars en bekende merken blijft stekelig. Tegenover de wereldberoemde ‘Campbell soup’-schilderijen van Andy Warhol staan talloze rechtszaken tussen kunstenaars en merkhouders. Over het algemeen houden fabrikanten er niet van als hun merk of product in verband wordt gebracht met iets, wat dan ook, dat controverse teweeg kan brengen. Beroemd is de zaak rond de film Alicia uit 1974, waarin een vrouw masturbeert met een Coca Cola-flesje. Oorlog of seks, voor merkhouders is het allemaal even ongewenst. Ook ‘Alicia’ kreeg een rechtszaak aan de broek, met de bijbehorende publiciteit, dus het zal de film geen kwaad gedaan hebben.

Vers in het geheugen staat de zaak tussen kunstenaar Nadia Plesner en tassenfabrikant Louis Vuitton. Plesner maakte een schilderij genaamd ‘Darfurnica’, waarop een naakt zwart jongetje op zijn ene arm een roze chihuahua houdt en aan zijn andere arm een Louis Vuitton-tas draagt. Plesner wilde commentaar geven op de verhouding tussen de berichtgeving over ‘glamour’ en wereldproblemen. Later gebruikte ze de afbeelding ook op tassen. Het enige dat de juristen bij Louis Vuitton zagen, was dat het model van hun tas in verband werd gebracht met wereldleed; zij meenden dat dit de reputatie van Louis Vuitton kon aantasten en poogden Plesner via de rechter het gebruik van (afbeeldingen van) de tas te verbieden.

Enfin, de rechtsontwikkeling gaat op dit gebied niet hard, zie de huidige zaak tegen Cedric Peers dus. Juridisch gezien zit het ongeveer als volgt: tegenover het grondrecht van Dom Pérignon tot ongestoord genot van haar exclusieve rechten op het gebruik van het merk staat naar vaste jurisprudentie van het Europeees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) het belangrijke grondrecht van een kunstenaar om haar of zijn mening te uiten via de kunst. Hierbij geldt dat de kunstenaars een aanzienlijke bescherming genieten ten aanzien van hun artistieke vrijheid, waarbij kunst in beginsel “may offend, shock or disturb” (vgl. EHRM 25 januari 2007, RvdW 2007, 452, Vereinigung Bildender Künstler tegen Oostenrijk, r.o. 26 en 33).

In de Darfurnica-zaak oordeelde de rechter dat het van belang was dat het gebruik door Plesner was aan te merken als “functioneel en proportioneel” en dat het niet een louter commercieel doel diende. Plesner was er niet op uit om in commerciële zin mee te liften op de bekendheid van Louis Vuitton, maar gebruikte de bekendheid van Louis Vuitton om haar maatschappijkritische boodschap over te brengen. Naast de tas gebruikte ze ook een ander luxe/showbusiness-beeld in de vorm van een in roze gestoken chihuahua. Ze suggereerde niet dat Louis Vuitton betrokken zou zijn bij de problemen in Dafur. De rechter stelde dat Louis Vuitton een zeer bekende onderneming is waarvan sommige producten een aanzienlijke bekendheid genieten, die zij ook zelf via advertenties en affichering met beroemdheden aanwakkert. Dat bracht met zich mee dat Louis Vuitton zich in sterkere mate dan andere rechthebbenden kritisch gebruik moest laten weggevallen (vgl. oa. EHRM 15 februari 2005, NJ 2006, 39, Steel en Morris tegen VK, r.o. 94).

Bijna alles wat gold in de Darfurnica-zaak is vergelijkbaar met wat er geldt in de zaak tussen Dom Pérignon en Cedric Peers, zo verkoopt Peers niet alleen zijn kunstwerken maar verkoopt hij ook kleding met daarop afbeeldingen van die werken. Het belangrijkste verschil is dat het Peers juist om gaat om het afbeelden van een wereld van glamour en luxe en niet om kritiek. Waar Plesner de Vuitton-tassen gebruikte als symbool voor Westerse onverschilligheid, gebruikt Peers de Dom Pérignon-flessen en -labels juist om de ‘glamourwaarde’ die ze hebben gekregen door de marketing-inspanningen van de merkhouder. Met name bij de kleding is het mogelijk dat de afbeelding van de Dom Pérignon-flessen (en zelfs de Dom Pérignon-naam) bij het publiek de indruk kan wekken dat er ten minste een verband bestaat tussen de kleding en de merkhouder. De vraag ligt daarmee voor of Peers  merkinbreuk pleegt en/of dat zijn gebruik leidt tot ‘verwatering’ van het merk; of dat hij aanspraak kan maken op zijn uitingsvrijheid als kunstenaar?

Wat de kleding betreft, oordeelt de Belgische rechtbank dat er inderdaad sprake is van merkinbreuk. Maar bij de schilderijen komt ze er niet uit: heeft Peers daarvoor ‘een geldige reden’ die zijn gebruik rechtvaardigen kan? Onder verwijzing naar de Nederlandse uitspraak in ‘Darfurnica’, besluit de rechtbank in Brussel vragen te stellen aan het Benelux Gerechtshof over de criteria die moeten worden gehanteerd:

“Kan de vrijheid van meningsuiting, en de artistieke vrijheid in het bijzonder, zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, een “geldige reden” uitmaken in de zin van artikel 2.20.1.d) van het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom?

In voorkomend geval, welke zijn de criteria die de nationale rechter in aanmerking moet nemen ter beoordeling van het evenwicht tussen die grondrechten, en het belang dat aan elk van die criteria moet worden gehecht?”

Wordt vervolgd!

(Lees het vonnis HIER. Voor de blog over Darfurnica, klik HIER of zie deze video. Vragen of opmerkingen? Stuur een email naar blog[at]kracht-advocatuur.com)

 

Geplaatst in Merkenrecht | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

The Apocalypse starts at 9.15 AM tomorrow

P: Death playing a game of chess in Ingmar Bergman’s 1957 film ‘The Seventh Seal’

By way of The Guardian we now know three quarters of German insect life seems to have disappeared over the past 25 years. Since the survey was held in wildlife reserves, it’s probably even worse; and it’s hardly likely things are better in the rest of Europe. This is equivalent to reading the Apocalypse starts tomorrow at 9.15 AM. So, who are we going to sue?

Thing is, even though it sounds like a fun question, it really isn’t that funny. The earth is a rather finely tuned system, with insects pollinating plants, getting eaten by birds; birds spreading seeds and getting eaten by bigger birds, and so on. Of course, we already knew about the bees, and we have no qualms about murdering far bigger animals; but without them, we’re all royally screwed. We know all this, but somehow it seems impossible to act on it.

To get a glimpse of what we’re talking about, in the recent survey, hover flies – important pollinators often mistaken for bees – show a particularly steep decline. In 1989, the surveyors in one reserve collected 17,291 hover flies from 143 species. In 2014, at the same locations, they found only 2737 individuals from 104 species (read more in this article).

The causes for the decline  are uncertain. Could be pollution, could be global warming, could be certain herbicides and insecticides; and possibly a combination of all of these. Most of all though, it’s clear that these days even for insects their habitat is shrinking. Vast swaths of farm land have become insect deserts and graveyards.

It used to be we could always blame Monsanto. And fair enough, Monsanto has been called the anti-christ for a reason: as a corporation it has little to no redeeming qualities. However, Monsanto has recently been acquired by Bayer, the German conglomerate, so now we can also point to Bayer.

How effective can a court action be? After all, a single cause can’t be established, and the use of these herbicides and insecticides is legal. The latter needn’t be a problem, if one thinks of the analogy to corporations using asbestos, or of the Tahlidomide (‘Softenon’) scandal in the 1960’s. When it became clear serious harm had been done, companies could be sued for damages. When no single company may be held liable, they may all be held liable collectively.

However, in earlier cases it was always clear there were human victims as a direct result of these substances. But who is going to sue on behalf of insects, and when the damage has been done to all of us, through various causes? Can we sue our governments for being negligent? Farmers for having sprayed poison? Supermarkets for selling products that are cultivated at the cost of destroying our environment? Should we just sue all of them?

And no one is innocent. We, the public, are well aware that  corporations are destroying the earth, and yet we work for these companies and buy their products, while we let ourselves be distracted by an endless stream of mind numbing entertainment. Many of us prefer to talk about Game of Thrones, laugh about Donald Trump, heap scorn on Harvey Weinstein, or worry about women not wearing bikinis. When we get serious, we wonder where to buy a shiny electric car. There are actual wars raging as our world is being made uninhabitable, and yet we continue to act as though it’s business as usual. We act as though we have all the time in the world to play a game of chess with The Grim Reaper.

It seems clear that what we need is a revolution, but not of the heads-will-roll variety. The way the system works is incredibly flawed and the destruction it causes is no longer theoretical. Therefore, the entire system needs to change. It’s no longer sufficient to say we have to adapt a little something here or there, it is the big picture that needs to change. However, for now, we might use the legal system such as it is to try to blow up the system from within. After all, if we don’t act now, soon we’ll be driving our shiny new electric cars through deserted landscapes on our way to the Apocalypse.

Update: I’m not the only one saying ‘sue for life’. Read this: ‘We should be on the offensive’ – James Hansen calls for wave of climate lawsuitsVeteran climate scientist says litigation campaign against government and fossil fuels companies is essential alongside political mobilisation in fighting ‘growing, mortal threat’ of global warming

(please send an email to contact@kracht-advocatuur.com if you want to react in person)

 

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Maatschappij, Onrechtmatige daad | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bladerunner 2049: rechten voor robots?

Pic: Bladerunner 2049, Columbia Pictures

Vorige week zag ik ‘Bladerunner 2049’, het vervolg op de science fiction-film ‘Bladerunner’ uit 1982. In beide films wordt jacht gemaakt op zogeheten ‘replicants’: robots met (artificiële) intelligentie en (zelf-) bewustzijn. De toekomstige overheid in die films ziet het als een probleem dat sommige van deze replicants vrij willen zijn. Maar – een advocaat verloochent zich nooit – bij mij kwam de vraag op: waarom mag een robot zonder pardon worden neergeknald?

Wat is een replicant eigenlijk? In Bladerunner 2049 zit een scène waarin de ‘fabrikant’ (type waanzinnige geleerde) aanwezig is bij de ‘geboorte’ van zo’n robot. In die scène valt een robot die de gedaante heeft van een naakte vrouw uit een zak op de grond. Ze is nog bedekt met een soort slijm en nauwelijks bij zinnen, maar dan  gebeurt het wonder: ze slaat haar ogen op en ze begrijpt dat ze ‘leeft’ – ze heeft bewustzijn gekregen! Hiermee is de replicant een levend wezen en wat meer is, ze is een volwassen mens-achtige met herinneringen en gevoelens; de herinneringen zijn geprogrammeerd, maar de gevoelens zijn echt.

Helaas voor deze specifieke robot, loopt het niet goed af. De fabrikant is om hem moverende redenen niet zo blij met haar als gehoopt, en maakt haar vrijwel meteen weer dood. Er loopt een straal vloeistof uit, en ze is niet meer. Best raar, want de replicants zijn in allerlei opzichten buitengewoon menselijk, en onder (veel) meer willen ze niet dood.

Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat een replicant een afgeleide is van een mens, zodat hem/haar ten minste een bescherming behoort toe te komen die is afgeleid van de beschermwaardigheid van mensen. Wij vinden immers dat mensen rechten hebben, dus waarom zou een robot die in zoveel opzichten ‘menselijk’ is niet ook rechten hebben?

Bij veel van de argumenten voor  beschermwaardigheid wordt een beroep gedaan op het wonder van het menselijk leven. Waarom die beschermwaardigheid zich niet uitstrekt tot andere vormen dan menselijk leven is mij altijd een raadsel geweest en ik sluit me dan ook graag aan bij G.A. den Hartogh die zich al in 1993 afvroeg waarom respect voor het wonder van het leven een grond is om bijzondere beschermwaardigheid te verlenen aan mensen, in vergelijking met bijvoorbeeld berken of amoeben. In al die gevallen is immers ook sprake van leven, en het is niet minder wonderlijk. Het moge duidelijk zijn dat de robots ‘leven’, zij het niet precies zoals mensen dat doen.

De redenen waarom wij onze species beschermwaardiger achten dan andere, is enerzijds gebaseerd op de bijzondere affectieve band die wij nu eenmaal wèl aangaan met onze eigen soort en niet met een andere; en anderzijds zien we in ieder mens iets van de potentie van de gehele mensheid – en aangezien we de mensheid beschermwaardig achten, bieden we ook het individu bescherming. Deze twee argumenten worden doorgaans samengevat onder de noemer van ‘de menselijke waardigheid’. De kern van dit nogal diffuse begrip lijkt te zijn dat we het menselijk bewustzijn beschermwaardig achten (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het dierlijk bewustzijn).

Maar hoe zit dat met de ‘robotlijke waardigheid’? Als de robot zelf-bewustzijn heeft en eruit ziet als een mens, en bovendien – zo blijkt uit beide Bladerunner-films – affectieve relaties aan kan gaan met mensen, moet deze robot dan niet behoed worden tegen die andere kant van de wonderlijke menselijke geest: willekeur en wreedheid?

Als een dergelijke intelligente robot géén bescherming toekomt, lijkt dat verschil voornamelijk gebaseerd op een onderscheid tussen de wijze van ontstaan en de mechanische werking van het innerlijk. Maar waarom is een andere manier van geboren worden een reden om iemand rechtsbescherming te ontzeggen? Heeft iemand die met een keizerssnede geboren wordt andere rechten dan iemand die via een andere uitgang ter wereld komt? En als het om het innerlijk mechaniek gaat: is iemand met een pacemaker of een kunstheup minder beschermwaardig?

Aan aansprakelijkheidsvragen begin ik dan nog maar nauwelijks. Want stel dat ik bijzonder veel van mijn robot houd (zoals Harrison Ford in Bladerunner doet), en ik moet toezien hoe mijn geliefde robot voor mijn ogen wordt neergeschoten; kan ik de moordenaar van mijn robot-liefje dan civielrechtelijk aanspreken voor het vergoeden van mijn emotionele schade?

Tot slot een soort van grapje, in het Engels: “A robot walks into a bar and orders a drink. The barman says, ‘We don’t serve robots here’. The robot says, ‘O, but some day you will’.”

(vragen, opmerkingen? Mail: contact@kracht-advocatuur.com)

PS. Deze blog, net als de film, gaat uit van een toekomst die nog wel even op zich kan laten wachten; maar dat betekent geenszins dat die toekomst voor altijd science fiction zal zijn. Men leze DIT ARTIKEL in Wired.

 

 

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Maatschappij, Robots, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Vervolg: De Bovenlanden, Amstelveen

P: Angelica Kauffman

Ik heb een zwak voor architectuur, maar ik benijd architecten hun beroep niet. Zo wijdde ik in een eerdere blog wat alinea’s aan het trieste lot van gebouw ‘De Bovenlanden’ in Amstelveen. Na jaren leegstand besloot de eigenaar het kantoorgebouw ‘te transformeren’ tot woningen, waarbij alle architectonisch karakteristieke elementen zouden verdwijnen. De oorspronkelijke ontwerper van de gevels verzette zich tegen de veranderingen met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten. Na de eerste ongelukkige uitspraak, nu het vervolg.

De Bovenlanden werd ontworpen als hoofdkantoor van KPMG, maar stond na het vertrek van de accountants leeg. Van paradepaardje van de ‘organische architectuur’ in Nederland, verwerd het tot een symbool van overbodige bedrijfsruimte. Was het al te karakteristiek, was het onpraktisch? Feit is dat de eigenaar, CRI, bij zijn streven om er woningen van te maken, meende dat de gevel geheel moest veranderen en alleen het casco bleef staan.

De architect van de karakteristieke gevels verzette zich bij de voorzieningenrechter, men leze DEZE BLOG. Het verzet leverde in eerste aanleg niets op, waarop een beroep volgde (bij het Hof Amsterdam, hersteld arrest op 21 maart 2017).  Maar – spoiler alert! – ook het hof kwam de architect niet tegemoet.

Ter opfrissing van het geheugen: bij het verbouwen of slopen van een gebouw, geldt dat de ontwerper zich kan verzetten tegen een wijziging die zijn ontwerp aantast, maar een ‘totale vernietiging’ (lees: sloop) is niet tegen te houden.

In deze zaak was dus de vraag of er sprake was van aantasting of vernietiging. De architect stelde dat het voor zijn ontwerp zo kenmerkende raampatroon in de verbouwplannen zou worden gehandhaafd. Zodoende zou er dus geen sprake zijn van totale vernietiging. Maar het hof oordeelde (r.o. 3.4.3):

“Ook indien het raampatroon als een kenmerkend stijlelement moet worden beschouwd, betekent dit niet … dat dit raampatroon als zelfstandig werk voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Nu voorshands niet van een auteursrechtelijk beschermd raampatroon kan worden gesproken, komt [de architect] te dien aanzien dus ook geen beroep toe op schending van zijn persoonlijkheidsrechten.”

De architect heeft het ook nog over de boeg van onrechtmatig handelen geprobeerd. Hij stelde dat de eigenaar misbruik maakte van recht (in de zin van art. 3:13 lid 2 BW)  door het gebouw onherkenbaar te willen transformeren in plaats van De Bovenlanden met behoud van de karakteristieke gevels opnieuw in te richten. Het is inventief geprobeerd. Ik citeer opnieuw het hof (r.o. 3.6.1):

“Aangezien [de architect] zich beroept op artikel 3:13 lid 2 BW (misbruik van bevoegdheid) dient hij binnen het kader van dit kort geding aannemelijk te maken dat vernietiging zijn belangen dusdanig onevenredig zwaar schaadt dat dit misbruik van bevoegdheid door CRI oplevert. Nog daargelaten hetgeen hiervoor onder grief 2 is overwogen, heeft [de architect] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de voorziene sloop en restyling van De Bovenlanden zijn belangen onevenredig schaadt; zoals hiervoor onder 3.5.2 werd overwogen is zelfs niet aannemelijk dat dit leidt tot het verkleinen van zijn kans op opdrachten. De enkele omstandigheid dat in het buitenland de sloop wellicht wordt gezien als oneervol is niet voldoende voor de aannemelijkheid van onevenredig zwaar nadeel. CRI heeft immers overtuigend en onderbouwd aangevoerd en ter zitting toegelicht dat zij na zes jaar leegstand, waarbij aanzienlijk verlies is geleden, nu groot belang heeft bij sloop. Dat CRI door over te gaan tot vernietiging misbruik van bevoegdheid maakt is derhalve niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van [de architect] dat hij heeft aangeboden het gebouw aan te passen en geschikt te maken voor bewoning werpt geen ander licht op de zaak, nu niet aannemelijk is dat een aldus aangepast gebouw door CRI te verhuren zou zijn zoals zij thans met haar (eigen) bouwplannen beoogt. De grief faalt.”

Een interessante stelling van de architect is nog, “dat de totaalindruk van het nieuwe ontwerp onder omstandigheden kan worden geassocieerd met de oorspronkelijke architect zonder dat voor hem kenmerkende stijlelementen behouden zijn gebleven…”

Deze stelling lijkt te zijn ontleend aan het merkenrecht, waar ‘associatie’ van het ene merk met het andere merk een criterium is. Gedoeld wordt dan op de mogelijkheid dat de consument in verwarring wordt gebracht over wie nu eigenlijk verantwoordelijk is voor het product in kwestie. Maar ook daar haalt het hof zijn schouders over op:

“Als [de architect] heeft willen betogen dat de mogelijkheid van associatie van de totaalindruk van het nieuwe ontwerp met hem als oorspronkelijke architect van het oude ontwerp reeds een aantasting van zijn persoonlijkheidsrechten oplevert wordt dat betoog, als zonder grond in de Auteurswet, verworpen. Indien de mogelijkheid van associatie het criterium is, zou dit betekenen dat – naar CRI terecht aanvoert – transformatie van De Bovenlanden in het geheel niet mogelijk is.”

Adieu, Bovenlanden!

(Vragen, opmerkingen? Mail: contact@kracht-advocatuur.com)

Geplaatst in Architectuur, Auteursrecht, Bouwen, Onrechtmatige daad | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Auteursrecht op verbouwing en creatieve administratie

Bouwen en verbouwen, het blijft een rijke bron voor rechtspraak. In deze blog een bespreking van een vonnis naar aanleiding van de verbouwing van een boerderij. Het vonnis laat zich lezen als een handboek voor sjoemelaars.

Het vonnis van de Rechtbank Gelderland is al uit 2015 maar pas onlangs gepubliceerd. De kwestie betreft een boerderij met bijgebouwen in slechte staat. De nieuwe eigenaar wil er een mode-atelier in vestigen en heeft een architectenbureau ingeschakeld om de noodzakelijke tekeningen te maken en de verbouwing te begeleiden. Dat architectenbureau bestaat – zo laat het vonnis zich tenminste lezen – uit één architect die handelt vanuit twee of drie vennootschappen, waarvan er eentje inmiddels failliet is*.

Er is een overeenkomst waarin de rechten en plichten over en weer zijn vastgelegd. Onder meer is bepaald dat de architect via zijn vennootschap (‘betrokken partij’) recht heeft op een vergoeding van 10% van de uiteindelijke bouwsom (in het algemeen al het soort regeling dat een aanmoediging is om de bouwkosten gierend uit de hand te laten lopen, en dat blijkt ook hier weer. Men leze door!) Halverwege de verbouwing ontstaat er ruzie over het al dan niet betalen van bepaalde rekeningen, en de architect beëindigt de samenwerking. Vervolgens wordt de bouw alsnog door de opdrachtgever afgemaakt naar tekeningen van de architect.

Het conflict dat volgt, laat zich raden: de architect beroept zich op zijn auteursrechten voor het ontwerp voor het bijgebouw en eist een vergoeding op grond van inbreuk. Maar zo simpel blijkt het allemaal niet te liggen. Het vonnis is geanonimiseerd en daardoor wat lastig leesbaar, maar het blijkt dat de architect een spookhuis aan vennootschappen heeft opgetrokken, en dat hij handelde als bestuurder van telkens andere vennootschappen, waaronder de failliette ‘betrokken partij’.

Het lijkt aanvankelijk een geslaagde wedstrijd voor de opdrachtgever. Voor de verbouwing en de nieuwbouw maakte de architect tekeningen die in rekening werden gebracht bij de opdrachtgever. Maar de architect liet bepaalde aannemers óók voor die tekeningen betalen; dat brachten die aannemers dan óók weer in rekening bij de opdrachtgever. Over de op die manier opgehoogde verbouwingskosten moest de opdrachtgever vervolgens weer 10% commissie betalen aan weer een andere vennootschap van de architect (de al eerder genoemde failliete ‘betrokken partij’). Dat is onrechtmatig, oordeelt de rechtbank, en daarmee krijgt de opdrachtgever zo’n Eur. 38.000,= terug.

Maar die vreugde is van korte duur. Als ik het vonnis goed begrijp, was ‘de betrokken partij’ belast met de begeleiding van de bouw (waarvoor hij dus 10% van de totale bouwsom ontving); en daartoe was er een ‘projectrekening’ waar de opdrachtgever geld op stortte, zodat de architect via ‘betrokken partij’ daarmee de aannemers kon betalen. Maar toen die vennootschap  failliet ging, viel het geld op de projectrekening in het faillissement van ‘betrokken partij’.

Helaas voor de opdrachtgever, oordeelt de rechtbank dat ‘de gedaagde c.s.’ niet aansprakelijk gesteld kan worden voor deze situatie. De gekozen constructie droeg nu eenmaal het risico in zich dat geld op de projectrekening nog niet was doorbetaald aan derden; en ook dat het in een eventueel faillissement zou kunnen vallen. Daarmee is de opdrachtgever zijn geld de facto twee keer kwijt, want door het faillissement kregen de aannemers niet betaald en moest de opdrachtgever hen alsnog, rechtstreeks betalen. Hierbij gaat het om meer dan Eur. 300.000,=

En het wordt nog zuurder. De opdrachtgever stelt dat de ‘betrokken partij’ voor het uitvoeren van de bouwbegeleiding, waarvoor 10% van de bouwkosten in rekening werd gebracht, nog weer iemand anders heeft ingehuurd. De kosten van deze derde, meer dan 20.000,= euro, werden als ‘bouwkosten’ opgevoerd, waardoor de ‘betrokken partij’ weer een hogere rekening kon sturen. Helaas voor de opdrachtgever blijkt nu het nut voor de architect als bestuurder van al die vennootschappen.

Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van een vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap, in dit geval de architect. Maar daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De opdrachtgever heeft volgens de rechtbank niet toegelicht op grond waarvan de architect als bestuurder van ‘betrokken partij’ persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt door het inzetten van die derde en het doorberekenen van de daarmee gepaard gaande kosten. Ook is niet duidelijk of dit inzetten en doorberekenen is toe te schrijven aan de architect anders dan in zijn hoedanigheid van bestuurder van ‘betrokken partij’. De architect gaat dus ook hier vrijuit.

Tot slot, voorzover nog niet duidelijk was dat deze architect wel van wanten weet, heeft hij zelfs nog een reconventionele vordering ingesteld: hij beroept zich op zijn auteursrechten voor het ontwerp voor het bijgebouw en eist een vergoeding op grond van inbreuk en schending van zijn persoonlijkheidsrechten. De gevorderde vergoeding wordt begroot op de hoogte van onbetaalde rekeningen (+ Eur. 14.000,=) De opdrachtgever verweert zich door te stellen dat het om een schuur gaat en dat een vennootschap (zoals die van de architect) geen persoonlijkheidsrechten kan claimen, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. De opdrachtgever moet alsnog zijn rekening aan de architect betalen voor het ontwerp.

De conclusie is er eigenlijk vooral één van financiële aard. Het is duidelijk dat er in de bouw regelmatig situaties ontstaan waarbij opdrachtgevers opvallend weinig waar voor hun geld krijgen. De bouwers zijn ervaren en men kijkt niet op een faillissementje meer of minder; de gemiddelde opdrachtgever daarentegen vormt een makkelijk slachtoffer. Wie het zich veroorloven kan, doet er dus goed aan om voorafgaand aan de opdrachtverlening te onderzoeken hoe hij/zij zich kan beschermen tegen de bouwers.

Zie ook deze blogs: over onbetrouwbare dakdekkers, over architecten versus failliete aannemers, en over de nutteloze persoonlijkheidsrechten van een architect bij sloop.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos@kracht-advocatuur.com)

  • Het vonnis wekt de indruk dat het architectenbureau (‘betrokken partij’) dan weer eens optreedt als architect (‘gedaagde’) en dan weer eens als bestuurder van een vennootschap die architectenwerkzaamheden verricht (‘gedaagde sub 3’); maar dat het in wezen telkens om dezelfde persoon gaat. De rechtbank vat de wederpartij van de opdrachtgever als volgt samen: “[gedaagde] is architect en bouwtechnoloog. Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 2] was ook enig aandeelhouder en bestuurder van [betrokken partij] (verder: [betrokken partij] ), welke vennootschap op 26 maart 2013 failliet is verklaard.”
Geplaatst in Architectuur, Bouwen, Effectief procederen, Onrechtmatige daad | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Afgebroken onderhandelingen en geschonden vertrouwen

Een aanbod om te onderhandelen is nog geen reden voor een feestje (p: EdV)

Een telkens terugkerend fenomeen: vanaf welk moment zijn er consequenties verbonden aan onderhandelingen? Dit naar aanleiding van een vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 12 april 2017 over afgebroken onderhandelingen nadat een potentiële koper voorbarig was gaan twitteren.

De kwestie: energieproducent Eneco (en aandeelhouder ‘Dong’) heeft/hebben een energiecentrale in de verkoop. Eneco, ALT en Romar sluiten een Non-circumvention, non-disclosure, confidentiality and working agreement (kortweg: de Overeenkomst), met als doel het zoeken door ALT en Romar van een mogelijke koper van de Eneco-centrale. Bij een geslaagde verkoop ontvangen ALT en Romar een fee van 1,5% van de verkoopprijs.

ALT/Romar vinden die koper in het Nigeriaanse ‘3D Hi Tech’. Er wordt afgesproken dat Eneco een ‘Letter of Intent’ of ‘Memorandum of Understanding’ zal opstellen met afspraken en voorwaarden voor een mogelijke verkoop, maar dan gaat het mis. Nog vóór er iets is ondertekend, publiceert 3D HiTech op Twitter een enthousiast bericht over het bezoek van de ‘dynamicvertegenwoordiger van 3D HiTech aan Eneco. De tweet wordt op eerste verzoek van Eneco verwijderd, maar heeft dan al 22 uur online gestaan. Eneco vindt dat de tweet in strijd is met de vertrouwelijkheid die was afgesproken in de Overeenkomst met ALT/Romar en trekt zich terug uit de onderhandelingen.

Er volgt een rechtszaak, waarin ALT/Romar stellen dat Eneco zich zich zonder goede reden heeft teruggetrokken uit de onderhandelingen met 3D HiTech. Ze vorderen schadevergoeding wegens misgelopen inkomsten. De rechtbank overweegt “dat het beginsel van contractsvrijheid meebrengt dat het een partij in principe vrij staat om onderhandelingen af te breken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een partij zich niet meer terugtrekken uit onderhandelingen zonder schadeplichtig te worden. Daarbij kan met name van belang zijn in hoeverre de wederpartij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst.”

Volgens de rechtbank was Eneco tegenover ALT/Romar alleen maar verplicht om serieus met 3D HiTech te onderhandelen. Dat heeft ze gedaan. Dat Eneco de onderhandelingen heeft gestaakt is niet te wijten aan willekeur, maar aan het eigen gedrag van de door ALT en Romar aangedragen potentiële koper.

ALT en Romar stellen dat de kortstondige tweet de afbreking van de onderhandelingen niet rechtvaardigde, maar volgens de rechtbank miskennen ze daarbij de eigen afweging die Eneco in de gegeven omstandigheden mocht maken. Omdat ALT/Romar wisten dat de tweet in strijd was met de geheimhouding mochten zij op dat moment niet meer gerechtvaardigd vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst tussen Eneco en 3D HiTech.

Omdat Eneco niet gehouden was tot het voortzetten van de onderhandelingen met 3D HiTech, is er geen basis voor het betalen van een schadevergoeding aan ALT/Romar gerelateerd aan een gemiste ‘successfee’; er is immers geen sprake van een geslaagde verkoop. Bovendien volgt uit de Overeenkomst tussen ALT/Romar en Eneco volgens de rechtbank ook niet dat Eneco überhaupt gehouden was om de centrale te verkopen, noch om gebruik te maken van de bemiddelingsdiensten van ALT/Romar.

Wat valt hiervan te leren? In ieder geval dat ‘onderhandelen’ niet hetzelfde is als ‘afspraken maken’. Er volgt ook uit dat gemaakte afspraken (zoals over geheimhouding) moeten worden nagekomen. En het meest belangrijke: het gebruik van vage onderhandelings-instrumenten, zoals het voornemen om een ‘Letter of Intent’ op te stellen, leidt niet tot aansprakelijkheid. Toch jammer voor ALT en Romar, want de inzet was € 5.000.000,=

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Effectief procederen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Apple’s Algemene Voorwaarden als ‘graphic novel’

De cover van ‘Terms and Conditions’. P: Robert Sikoryak

In de beeldende kunst is het werken met ‘found footage‘ min-of-meer algemeen aanvaard. In muziek niet, want daar heet overname van een fragment ‘sampling‘, en voor het gebruik van samples is een ingewikkeld betalingssysteem opgezet. Het grijze gebied betreft werken met teksten van anderen: wat bijvoorbeeld te denken van een bewerking van de algemene voorwaarden van Apple’s iTunes tot een ‘graphic novel’?

In de onvolprezen Britse krant The Guardian las ik een artikel over de striptekenaar Robert Sikoryak. Sikoryak heeft een stripboek gemaakt waarin Steve Jobs de vorm aanneemt van bekende stripfiguren (o.a. Snoopy en Homer Simpson), terwijl hij de letterlijke tekst uitspreekt van de (Engelstalige) algemene voorwaarden van iTunes.

Het is een feit van algemene bekendheid dat niemand ooit Apple’s (belachelijk uitgebreide) algemene voorwaarden leest, Sikoryak is waarschijnlijk de eerste. Aan het einde van het artikel vraagt de journalist aan Sikoryak af hij zich zorgen begon te maken toen hij die algemene voorwaarden las. Sikoryak antwoordt: “Some of the language about not using the material you get from iTunes to infringe the intellectual property rights of a third party or Applethat made me nervous as I was drawing. Have I done that? I think they’re talking about apps.”

Wat dat laatste betreft, is het antwoord vermoedelijk een ferm ‘Neen!’ ‘Intellectual Property’, oftewel Intellectuele Eigendom/IE, strekt zich uit tot alle originele scheppingen, en zelfs tot software. Apps worden dus zéker beschermd door het IE-recht, maar alle andere Apple-scheppingen worden dat ook.

Naar Nederlands recht (maar overal ter wereld gelden soortgelijke regels) valt Apple’s hardware onder het octrooirecht. Apple’s merken, zoals ‘Apple’ en ‘iTunes’ worden beschermd door het merkenrecht, en de tekst van Apple’s algemene voorwaarden wordt beschermd door het auteursrecht. “Ja, maar,” hoor ik u al zeggen, “je mag toch citeren, en deze bewerking is toch kunst? En in ieder geval is het een parodie!”

Tja.

De Auteurswet is tamelijk duidelijk over het alleenrecht van de maker (d.w.z. van de ‘rechthebbende’) om toestemming te geven voor gebruik van een ‘werk’. Wat is een werk? “In het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht.” In beginsel is iedere tekst dus een ‘werk’, maar in het befaamde ‘Endstra-arrest’ heeft de Hoge Raad dat iets genuanceerd, kort samengevat: als het werk een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen, krijgt de maker geen auteursrecht.

Het staat buiten kijf dat de tekst van Apple’s algemene voorwaarden een oorspronkelijke tekst is. Het is misschien geen literatuur of poëzie (en zelfs daar kun je over twisten), maar de schrijver(s) ervan heeft/hebben keuzes moeten maken in de manier waarop ze hun tekst vorm hebben gegeven. Het is ook duidelijk dat er géén sprake is van een citaat: Sikoryak heeft immers de héle tekst overgenomen, dat maakt zijn werk juist zo grappig. Daarmee staat in beginsel vast dat Sikoryak inbreuk maakt op Apple’s auteursrecht.

Is het werk van Sikoryak dan niet een toegestane parodie? Ook daar valt over te twisten. Zonder twijfel is dit gebruik  van een formeel juridisch document ontregelend en grappig – maar daarmee is het nog geen parodie. Sikoryak gebruikt de volledige, letterlijke tekst, hij heeft hem alleen maar geïllustreerd. Die illustraties (waaronder Snoopy met een ongeschoren Steve Jobs-baard en een koltrui) op zichzelf zijn waarschijnlijk wel toegestane parodieën, maar de tekst heeft Sikoryak op geen enkele manier veranderd.

Hoewel Apple weinig belang erbij heeft om de verspreiding van haar algemene voorwaarden tegen te gaan (integendeel zelfs!), zou het dat waarschijnlijk wel kunnen doen. De vraag is dus: heeft Apple gevoel voor humor?

(Andere vragen, opmerkingen? Neem contact op via http://www.kracht.legal)

 

Geplaatst in Auteursrecht | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen