Regisseurs versus Kabelexploitanten in kort geding

Op woensdag 14 augustus 2013 vond een kort geding plaats van de collectieve beheersorganisatie (‘CBO’) voor regisseurs, VEVAM, tegen de kabelexploitanten UPC en Ziggo. Aan de kant van de exploitanten bevond zich ook de gevoegde partij RoDAP, een conglommeraat van kabelaars, producenten, commerciële en publieke omroepen. Als adviseur van VEVAM was ik nauw bij het geding  betrokken.

De rechtszaak heeft enige aandacht getrokken (zie ook berichten op Boek9, in Algemeen Dagblad en in NRC Handelsblad). Die aandacht is terecht, want de achterliggende kwestie is niet alleen juridisch interessant, maar vooral ook in moreel opzicht: aan wie behoren de vergoedingsaanspraken op film- en televisiewerken toe?

Juridisch-inhoudelijk spitst het geschil zich toe op de vraag of artikel 26a Auteurswet van toepassing is in de huidige situatie waarbij kabelexploitanten het omroepsignaal (semi) rechtstreeks door omroepen aangeleverd krijgen. Artikel 26a Aw vestigt een recht voor CBO’s om namens de door hen vertegenwoordigde rechthebbenden toestemming te geven voor doorgifte via de kabel van door die CBO’s beheerde werken (in dit geval films en televisieprogramma’s). Het recht van toestemming betekent in de praktijk uiteraard vooral het recht om een vergoeding te vragen voor kabeldoorgifte. De kabelexploitanten bepleiten dat art. 26a Aw tegenwoordig toepassing mist; en dat daarmee ook het verplichte collectief beheer op de voet van Auteurswet en Satteliet- en Kabelrichtlijn (‘SatKab-richtlijn’) is komen te vervallen. Hoewel over deze vraag nu op diverse fronten (zie ook nieuwsbericht LIRA) geprocedeerd wordt, kan de uitkomst mijns inziens niet anders zijn dan een bevestiging van het recht van de CBO’s om een vergoeding voor kabeldoorgifte te vorderen.

Ik heb mij eerder (hier en hier) al verbaasd over de uitspraak van het hof ‘s-Gravenhage inzake “NORMA/NLKabel”, waarin het hof via uitleg van de Berner Conventie, de SatKab-richtlijn èn de Auteurswet tot de conclusie kwam dat art. 14a Wet Naburige Rechten geen betrekking heeft op een situatie waarbij de omroepen en kabelexploitanten hetzelfde signaal via verschillende wegen doorgeven/uitzenden/mededelen aan het publiek. Consequentie van die uitspraak was dat in ieder geval de acteurs geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor kabeldoorgifte.

Hoewel die zaak betrekking had op naburige rechten en het hof geen uitspraak heeft gedaan over het toepassingsbereik van art. 26a Aw, beroepen de kabelexploitanten zich ook in het kort geding tegen VEVAM in belangrijke mate op dit arrest. En overigens wierpen zij ter zitting ook min of meer dezelfde argumenten aan VEVAM tegen als aan NORMA. Aangezien het arrest inzake ‘NORMA’ voor cassatie staat, is de verwachte uitkomst van die cassatieprocedure dus van belang voor de uitkomst van het kort geding tegen VEVAM.

Ik kan me niet voorstellen dat de NORMA-uitspraak cassatie zal overleven. De belangrijkste fout die het Haagse hof maakt, is dat zij voorbijgaat aan de parallelle doorgifte van dezelfde programma’s door de omroepen zelf; het hof neemt nogal apodictisch aan dat voor het ontstaan van het recht van de CBO’s een eerdere openbaarmaking van hetzelfde signaal van belang is. Die aanname is lijnrecht in strijd met wat het Europese Hof (‘HvJ EG’) heeft gezegd in de zaken “Airfield” en “TV Catchup”, waarin het HvJ EG er expliciet op heeft gewezen dat het toestemmingsrecht juist ontstaat in een situatie van parallelle doorgifte van dezelfde programma’s.

Bovendien ging het Haagse hof voorbij aan de betekenis van de bepalingen in Auteurswet en SatKab-richtlijn dat het toestemmingsrecht van de CBO’s ontstaat door “gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte” kabeldoorgifte. Enerzijds interpreteert het hof de eis van ‘gelijktijdigheid’ onbegrijpelijkerwijs als ‘in tijd elkaar opvolgend’, en anderzijds negeert het hof dat er drie samenhangende eisen worden gesteld, die alledrie verwijzen naar de positie van de kabelexploitant als een van de omroepen onafhankelijk organisme dat geen invloed heeft op het chronologische en redactionele beleid.

De slotsom kan dan ook niet anders zijn dan dat na al deze rechtszaken van CBO’s en kabelmaatschappijen, de exploitanten in het ongelijk zullen worden gesteld – al wil ik zeker niet uitsluiten dat daarvoor nog ten minste één gang naar het Europese Hof nodig zal zijn. Uiteindelijk zullen de CBO’s sterker dan ooit uit de strijd tevoorschijn komen; en wat meer is, aannemlijk is dat de tarieven die zij tegen die tijd zullen vorderen meer dan voorheen zullen weerspiegelen dat de kabelexploitanten hun bestaansrecht ontlenen aan het doorgeven van werken waarop zij – hoe ze het ook wenden of keren – geen auteursrecht hebben.

Advertenties

Over krachtblog

Advocatenkantoor in Amsterdam, gespecialiseerd in Intellectuele Eigendom en effectieve procedures.
Dit bericht werd geplaatst in Auteursrecht, De Kabeloorlog (2012 - ... ) en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Regisseurs versus Kabelexploitanten in kort geding

  1. Pingback: Verslag van kort geding VEVAM versus UPC en ZIGGO… | Vevam

  2. Pingback: RoDAP reageert | Kracht advocatuur juridische blog

  3. Pingback: Een nieuw droef hoofdstuk in de kabeloorlog: LIRA vs. Ziggo, pt.2. | Kracht advocatuur juridische blog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s