Publicatieverbod per uur

img_3067

Te betalen dwangsommen, p: EdV

Een interessant vonnis ter bevestiging van een publicatieverbod van de Rechtbank Gelderland. In het kort: een ‘publicist’ heeft op zijn website processtukken uit een lopend strafrechtelijk onderzoek gepubliceerd, waaronder getuigenverklaringen. In een eerder kort geding d.d. 8 april 2016 had de Staat (het Openbaar Ministerie) al een publicatieverbod gevorderd en gekregen. Inmiddels is de termijn van het vorige verbod verlopen, maar het onderzoek is blijkbaar nog niet afgerond. In een nieuwe rechtszaak vordert de Staat opnieuw een publicatieverbod op straffe van een dwangsom per uur.

Een publicatieverbod (een ‘uitingsverbod’) is in grondrechtelijk opzicht een moeilijke kwestie. De vrijheid van meningsuiting is immers een groot goed, en om dat recht te beperken, moeten er overtuigende redenen zijn: het verzekeren van eerlijke rechtspraak kan zo’n overtuigende reden zijn. Aan de andere kant, is openbaarheid van de rechtspraak óók een pijler van de rechtstaat, dus in beginsel moet daarover kunnen worden geschreven door wie dan ook – of niet?

Toewijzing van een vordering tot staking van bepaalde publicaties en/of staking van  aangekondigde uitlatingen vormt een beperking op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan iedereen op grond van artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (het ‘EVRM’) toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel worden beperkt ‘indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen’.

De rechter moet bij een publicatieverbod een afweging maken van twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke en persoonlijke belangen: aan de ene kant het belang van een partij dat hij niet wordt blootgesteld aan potentieel schadelijke publicaties, en aan de andere kant het belang van de publicerende partij dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter voorlichting van anderen omtrent misstanden die hen zouden kunnen raken. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle terzake dienende omstandigheden van het geval.

In deze rechtszaak stond het belang van de publicist dat hij het publiek kon informeren tegenover het belang van het Openbaar Ministerie bij een ongestoorde rechtsgang. Het Openbaar Ministerie nam de stelling in dat het beginsel van ‘fair trial’ in het strafproces, wat door de Staat moet worden beschermd, onder druk komt te staan als getuigenverklaringen andere getuigen in dezelfde strafzaak bereiken voordat zij zelf zijn gehoord, waardoor het proces van waarheidsvinding ernstig kan worden verstoord; en bovendien dat door openbaarmaking van de vertrouwelijke documenten moest worden gevreesd voor de veiligheid van de getuigen.

In het vonnis in april had de voorzieningenrechter al geoordeeld dat het belang van de publicist bij openbaarmaking minder zwaar weegt dan het belang van het Openbaar Ministerie bij vertrouwelijkheid van (onder meer) getuigenverklaringen. In het nieuwe vonnis ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van wat eerder is geoordeeld en legt opnieuw een publicatieverbod op. Aangezien het om publicaties op een website gaat, geldt het verbod gedurende 6 maanden, en wordt er bovendien een dwangsom van Eur. 2.500,- per uur opgelegd. De publicist mag op zijn eigen website ook geen hyperlinks plaatsen naar andere plekken op het internet waar de informatie te vinden zou zijn.

Ik kan me niet herinneren dat ik eerder een uitspraak heb gezien waarin een dwangsom per uur werd opgelegd, maar onlogisch is het niet: informatie op internet kan razendsnel op andere websites en -fora worden gekopieerd, zodat een enkele publicatie tot gevolg kan hebben dat informatie in feite ongelimiteerd wordt vrijgegegeven. In dat opzicht doet deze zaak denken aan de publicatie van de naaktfoto’s van Britt Dekker door Geen Stijl: een flinke dwangsom per uur zou daar waarschijnlijk ook wel hebben geholpen.

(Vragen, opmerkingen? Mail: contact@kracht-advocatuur.com, of ga naar http://www.kracht.legal)

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Internet, Maatschappij, Onrechtmatige daad | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Hervullen van recyclebare verpakkingen en merk-inbreuk

bx500000001070931Een paar jaar geleden bepaalde de hoogste Europese rechter (het ‘HvJ EU’) dat hervullen van (in ieder geval) gasflessen is toegestaan. Voorwaarde in die zaak was dat de gasflessen in eigendom waren overgedragen. Kort daarna verdedigde ik bij de Amsterdamse rechtbank het recht van bierbrouwerij Olm om gebruikte Heineken-bierfusten te hervullen met Olm-bier. Olm kreeg ongelijk, wat me nog steeds een beetje dwars zit. Mijn schrijnende wond werd onlangs opengehaald door een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2016, waar ik (gelukkig) niet bij betrokken was. Read ‘m and weep!

De recente strijd tussen de twee bakkers kan als volgt worden samengevat. Grote bakker De Market Foodgroup (‘MFG’) verkoopt  onder de merknaam ‘Bakkerij ’t Stoepje’ diverse soorten brood. Het brood wordt aan winkeliers (waaronder marktkooplui) geleverd in gele kratten waarop het merk ‘Bakkerij ’t Stoepje’ staat. Bakker ‘De Bakkerie’ verkoopt eveneens brood en broodwaren, en doet dat ook aan winkeliers en marktkooplieden. En het brood van De Bakkerie wordt óók geleverd in gele kratten; en soms zelfs in de gele kratten van ’t Stoepje…

De kratten van ’t Stoepje worden na gebruik door de winkeliers/marktkooplui ingeleverd bij MFG/’t Stoepje; maar ook bij de Bakkerie. Weliswaar heeft de Bakkerie haar eigen kratten, maar ze deinst er niet voor terug om de ingeleverde MFG-kratten te hergebruiken, dat wil zeggen, dat de Bakkerie de MFG-kratten hervult met haar eigen brood en die kratten vervolgens weer levert aan de marktkooplui, die ze dan weer in hun kramen zetten.

De analogie met ‘mijn’ Olm-zaak drong zich ogenblikkelijk aan me op: grote bakker/brouwer tegen kleintje, hervullen van kratten/vusten, uitputting van het merkrecht doordat de kratten/vusten van eigenaar zijn verwisseld. En daar houdt de overeenkomst niet op: ook hier wordt de hergebruiker in het ongelijk gesteld.

Het grote verschil was, dat in de zaak van Olm vs. Heineken er sprake was van stalen bierfusten die via diverse winkels  door het hele land rouleerden. Allerlei partijen kochten die fusten, variërend van café’s tot studentenverenigingen; en slechts een klein deel van die fusten kwam weer terug bij de brouwers. Waar het vooral om ging, was dat via de groothandel (de Makro), de fusten tamelijk willekeurig weer werden geretourneerd aan Heineken respectievelijk Olm, en dat zowel Heineken als Olm elkaars fusten (voorzien van elkaars merknaam) vervolgens vulden met het eigen bier en leverden aan de eigen verkopers.

Waar de uitkomst in beide zaken op hangt, is de eigendomsvraag: wie is de eigenaar van de kratten/fusten? Als de krat of het fust is verkocht, kan de merkhouder zich niet tegen verder gebruik verzetten (zijn merkrecht is ‘uitgeput’). Maar als de merkhouder de krat/het fust al die tijd in eigendom heeft gehouden, bijvoorbeeld door bij de verkoop van het bier/brood een eigendomsvoorbehoud te maken, dan is zijn merkrecht niet uitgeput. De vraag is natuurlijk: is het überhaupt wel mogelijk om te zeggen dat het produkt wèl verkocht wordt, maar de (recyclebare) verpakking nìet?

Het antwoord op die laatste vraag is, helaas, ‘ja’. In de zaak tussen de twee brouwers oordeelde de rechter in kort geding dat Heineken het bier had verkocht maar eigenaar was gebleven van de fusten, en in de zaak tussen de twee bakkerijen ging het niet anders. MFG heeft aan zijn afnemers het brood verkocht in kratten met zijn merk er op, en die kratten hebben geen deel uitgemaakt van de transactie: in de algemene voorwaarden tussen MFG en verkoper is zelfs uitdrukkelijk bepaald dat de kratten eigendom van MFG blijven en niet voor ander brood mogen worden gebruikt.

Dus, om kort te gaan, het hervullen van recyclebare verpakkingen kan door een merkhouder eenvoudig worden voorkomen door tijdig te zeggen dat de verpakking geen deel uitmaakt van de verkoop. Helemaal bevredigend vind ik het niet, maar het is de stand van het recht.

Nb! Het NOS-journaal van 4 augustus 2011 besteedde aandacht aan de Heineken/Olm ruzie: nog HIER te bekijken. Ik maakte er een video over, zie HIER. Het vonnis wordt besproken in een andere vlog/blog, zie HIER.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos@kracht-advocatuur.com)

Geplaatst in Merkenrecht | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Naar Britt Dekker mag niet worden gelinkt, echt niet.

Een heel klein beetje glamour. Foto: C. Hermès

Een heel klein beetje glamour. Foto: C. Hermès

Hoewel de mussen dood van het dak vallen van de hitte, is de zomervakantie voorbij. Hoogste tijd dus voor een nieuwe blog, en wat is er beter om de landerige vakantiesfeer mee te verdrijven dan een verse uitspraak van het Europees Hof van Justitie? Aanleiding voor de uitspraak: de in 2011 gelekte naaktfoto’s van Britt Dekker.

Wat vooraf ging: in 2010 verwierf mw. Britt Geertruida Dekker landelijke bekendheid met het televisie-programma Echte meisjes in de jungle. dit leverde haar een aanbod van de Nederlandse Playboy op om zich eens zonder kleren te laten fotograferen. Maar nog voordat de foto’s in het blad waren verschenen, had de redactie van GeenStijl een niet zo erg goed beveiligde website gevonden waar de foto’s te vinden waren, en zij plaatste op haar site een hyperlink naar de betreffende site en foto’s.

De uitgever van Playboy, Sanoma, had geen toestemming gegeven voor dit één en ander. Ze sommeerde GeenStijl om het artikel mèt de hyperlink te verwijderen, en bewerkstelligde dat de foto’s ook van de gelinkte site werden verwijder. Maar GeenStijl plaatste nog op dezelfde dag een nieuw artikel over de betrokken foto’s, eindigend met de zin: „Update: naaktpics [van Dekker] nog niet gezien? Ze staan HIERRR”. Dit bericht bevatte eveneens een hyperlink naar weer een andere website, waar inmiddels ook één of meer van de betrokken foto’s zichtbaar waren.

Op naar de rechter. Tot aan de Hoge Raad wierp GeenStijl het verweer op: hyperlinken mag. De Nederlandse rechters oordeelden allemaal dat het misschien geen auteursrechtinbreuk was, maar dan toch zeker wel onrechtmatig (want “in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt”).

Over het auteursrechtelijk deel heeft nu het Europese Hof van Justitie zich uitgesproken. En kort en goed: het plaatsen van een hyperlink kàn auteursrechtinbreuk opleveren, als degene die de link plaatst zich er van bewust was dat het om werken gaat die zijn geplaatst zonder toestemming van de auteursrechthebbende. Als de plaatser van de hyperlink een winstoogmerk heeft, is er in ieder geval sprake van een (weerlegbaar) ‘vermoeden’ dat die plaatser zich ervan bewust was dat hij/zij inbreuk maakte. Want, wat dat laatste betreft: wanneer een hyperlink wordt geplaatst met een winstoogmerk mag van de plaatser worden verwacht dat die probeert te verifiëren dat het betrokken werk niet illegaal is gepubliceerd op de site waarnaar gelinkt wordt.

De uitspraak levert – zoals vaker met uitspraken van het Europese Hof – weer voldoende stof op voor exegese, danwel bewijsproblemen. Maar het belangrijkste is, dat de uitspraak een handvat geeft voor het aanpakken van tussenpersonen op grond van het auteursrecht. Wie na dit arrest nog welbewust linkt naar ‘illegale’ content op internet – en zeker als er sprake is van een winstoogmerk – maakt inbreuk.

In een Engelstalige blog gaat de Leidse hoogleraar D. Visser wat dieper op de zaak in. Hij concludeert: “With this decision the CJEU strikes a balance between the positions of those who maintain that hyperlinking should never be considered an act relevant under copyright, because it is just a reference comparable to a footnote, and those who maintain that hyperlinking should always be considered an infringement of copyright because it is done by a third party and has the same effect as providing copies and full access to additional members of the public.”

En bij die conclusie sluit ik me graag aan. Het nieuwe jurisprudentie-seizoen is begonnen!

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Auteursrecht, Downloaden, Internet, Onrechtmatige daad | Tags: , , , | 1 reactie

(On)betrouwbare dakdekkers

Pic: website Dakmerk

Pic: website Dakmerk

De Nederlandse bouw heeft het niet makkelijk. “Het is in de woningbouw eerder regel dan uitzondering slecht werk te leveren en afspraken niet na te komen,” las ik onlangs in het magazine van Vereniging Eigen Huis. Volgens het brancheblad ‘Cobouw‘ roepen de Nederlanders in Duitsland hun eigen ongeluk over zich af. En als de dakdekkers dan eens iets leuks hebben, mogen ze het niet zeggen van de rechter. Case in point: Vzr. Rechtbank Midden Nederland 13 juli 2016, IEF 16103 (Consolidated tegen St. Waarborgfonds Dakmerk en Seci)

Wat was er aan de hand? Seci is een stichting die zich bezig houdt met een “kwaliteitsborgingsysteem” voor de dakdekkersbranche, onder het merk “Dakmerk“. Ieder Nederlands dakdekkersbedrijf kan deelnemen als “Dakmerk-participant”.  De Dakmerk-participanten moeten volgens bepaalde kwaliteitsmaatstaven werken en er vinden controles en inspecties plaats door een onafhankelijk bureau. Er is voor de Dakmerk-participanten geen verplichting om van bepaalde leveranciers of bepaalde technieken gebruik te maken.

De Dakmerk-participanten geven aan hun opdrachtgevers een “Dakmerk-garantiecertificaat” af. Op basis van dat certificaat kan de opdrachtgever eventueel een beroep doen op het “Waarborgfonds Dakmerk”. Als een deelnemer van het kwaliteitsborgingsysteem insolvent raakt, neemt een aparte stichting Waarborgfonds Dakmerk de verplichtingen van die deelnemende dakdekker over. Het gaat dan specifiek om het verlenen van tien jaar garantie op waterdichtheid van het gelegde dak.

In mei 2016 is er door Dakmerk een reclamecampagne gevoerd onder de slogan “Dakmerk maakt het verschil”. In een reclamespot werd onder meer gezegd: “Alleen bij Dakmerk bent u tien jaar lang verzekerd van de waterdichtheid van uw dak”. In een bijbehorend animatiefilmpje werd gezegd: “in tegenstelling tot anderen zijn Dakmerk dakdekkers onafhankelijk van producenten en kunnen daardoor de optimale keuze maken uit materialen, systemen en prijs.” Bovendien stelde Dakmerk: “Wij zijn de bedenkers van de tien jaar waterdichtheidsgarantie en de enige die deze extra zekerheid kunnen bieden.” Het dakdekkersbedrijf ‘Consolidated‘ maakte bezwaar tegen de campagne, en vorderde een verbod en rectificatie.

Aan de rechter de vraag of er sprake is van misleidende reclame door Dakmerk. Een reclame-mededeling is misleidend als deze onjuist of onvolledig is en redelijkerwijs aannemelijk is dat deze mededeling het economisch gedrag van de relevante afnemer van de betrokken producten of diensten kan beïnvloeden (zie hof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2013, Eva Optic/Water Vision).

De rechtbank stelt vast dat in dit geval de ‘relevante afnemers’ weliswaar doorgaans professionele gebouwenbeheerders zijn, maar dat die toch maar beperkte ervaring zullen hebben met het vervangen van een dakbedekking. Een nieuwe dakbedekking is nl. maar eens in de 15 jaar nodig, dus de kans is groot dat een goede reclamespot hun beslissing zal beïnvloeden.

En dan is de vraag: zijn de claims van Dakmerk waar?

Helaas, hierbij valt Dakmerk door de mand. De door Dakmerk geboden garantie is standaard in de dakdekkersbranche. Ook het aanbieden van zekerheid via bijvoorbeeld een waarborgfonds is gebruikelijk. Er zijn ook niet-Dakmerk-participanten die geen enkele band hebben met producenten (zoals Consolidated) en Dakmerk-participanten die wèl een dergelijke band hebben. De claim “Wij zijn de bedenkers van de tien jaar waterdichtheidsgarantie” blijkt niet door Dakmerk te zijn bedacht maar juist door Consolidated  en wel onder de naam ‘Save Plus’. En ook de claim dat Dakmerk de enige is die deze extra zekerheid kan bieden is onjuist; en dus misleidend.

De vorderingen van consolidated worden dan ook vrijwel volledig toegewezen. Vooral de rectificatie is opvallend: de voorzieningenrechter acht publicatie in het Financiële Dagblad passend, “nu hiermee dezelfde doelgroep wordt bediend als met de radiospot die op BNR is uitgezonden”. Publicatie in de Cobouw en ‘de Dakenraad‘ acht de voorzieningenrechter eveneens passend, “nu het gaat om (dag/vak)bladen die (mede) gericht zijn op de dakdekkersbranche.”

Enfin. De bouw in Nederland. Lastig.

(Vragen of opmerkingen? Mail erik.devos@kracht-advocatuur.com, of bezoek de site: www.kracht.legal)

Ps. Deze blog is met vakantie tot eind augustus 2016.

Bewaren

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De Bovenlanden te Amstelveen: nutteloze persoonlijkheidsrechten

Bovenlanden kopieHet lijkt een nieuw stokpaardje van me te worden: de manier waarop architecten hun werk proberen te beschermen. Soms moet er beschermd worden tegen ongeoorloofd gebruik, soms tegen imitatie, en soms tegen totale vernietiging. Over dat laatste gaat deze blog.

De kwestie: in Amstelveen staat het markante kantoorgebouw ‘De Bovenlanden’. Het gebouw is ontworpen rond 1988 door een elkaar opvolgende cluster van architecten. De gevel is ontworpen door het architecten-duo Alberts & Van Huut. Deze laatsten waren ook verantwoordelijk voor een aantal andere opvallende gebouwen, waarmee men de ‘organische architectuur’ in Nederland verbeeldde. Hun meest bekende schepping is waarschijnlijk het (voormalige) hoofdkantoor van de ING in Amsterdam.

Helaas voor de architecten, maar er is teveel kantoorruimte in Nederland en niet genoeg woonruimte, en de huidige eigenaar van ‘De Bovenlanden’ heeft besloten het gebouw nogal drastisch te gaan transformeren. Gevolg hiervan is dat de opvallende gevel van het gebouw zal worden vervangen door een volkomen andere gevel. Architect Max van Huut verzet zich tegen de sloop- en verbouwplannen met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten op de voet van artikel 25 lid 1 sub c en d van de Auteurswet.

Het betreffende artikel luidt: “De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende rechten: (…)

c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid”

Kan de architect zich verzetten tegen sloop? De rechtbank Amsterdam verwijst naar het richtinggevende arrest van de Hoge Raad uit 2004, Jelles/Zwolle. Kern van dat arrest is – volgens de rechtbank – dat de totale vernietiging van een gebouw geen ‘aantasting’ is zoals bedoeld in de Auteurswet, en dat een architect zich daar dus niet op grond van persoonlijkheidsrechten tegen kan verzetten.

In een mooie, didactische conclusie bij het arrest van de Hoge Raad liet Advocaat-Generaal Verkade destijds zien dat in de wetsgeschiedenis aan de orde is gekomen of vernietiging door de maker zou moeten kunnen worden voorkomen ten nadele van de eigenaar van het werk. Hij constateerde ook dat er in de rechtspraktijk tot dan toe niet eenduidig stelling was genomen. Hij vond dat de Hoge Raad een principiële uitspraak moest doen; en dat heeft de Hoge Raad in 2004 ook inderdaad gedaan.

Terug naar De Bovenlanden te Amstelveen! Kan de architect zich op grond van zijn persoonlijkheidsrechten verzetten tegen een renovatie die in wezen gelijk staat aan vernietiging van zijn schepping?

In het vonnis ontleed de rechtbank allereerst het gebouw tot in de auteursrechtelijk beschermde delen. Sommige van die delen blijven na renovatie overeind, andere verdwijnen geheel. De rechtbank komt dan tot de conclusie dat de eisende architect alleen een auteursrecht (dat betekent in dit geval: een persoonlijkheidsrecht) kan doen gelden op de karakteristieke gevel (want de delen die blijven staan heeft hij niet ontworpen). Maar juist die gevel zal na de verbouwing onherkenbaar veranderd zijn, zó onherkenbaar zelfs dat er in wezen sprake is van vernietiging. En vernietiging kan niet worden tegengehouden op grond van het persoonlijkheidsrecht in de Auteurswet.

Wèl kan onder omstandigheden vernietiging van een uniek werk (zoals een gebouw) misbruik van recht opleveren door de eigenaar/vernietiger, of onrechtmatig zijn jegens de maker. Van dat laatste is met name sprake als de maker niet in staat wordt gesteld om zijn werk voorafgaand aan de sloop behoorlijk te fotograferen en te documenteren.

In een noot in het juridische tijdschrift AMI, schrijft Prof. J.J.C. Kabel dat het arrest van de Hoge Raad ‘een virus’ tot leven heeft gewekt, waarvan de verschijnselen zijn dat er een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van de maker bij behoud en het belang van de eigenaar bij vernietiging. Zwaarwegende economische belangen van de eigenaar leggen het daarbij in de praktijk altijd af tegen de moeilijk op geld te waarderen belangen van de architect.  “Zo gaat het en zo zal het gaan,” verzucht Prof. Kabel, “wanneer wat van waarde is weerloos wordt gemaakt door zwaarwegende economische belangen.”

Omineus in dat verband is de kordate overweging van de rechtbank dat een gebouw “niet voor de sier bestemd is, maar tot gebruik”. En daarmee is het enige dat in stand blijft, de akelige Nederlandse gewoonte om maar de hele tijd mooie gebouwen te willen slopen. In dit geval betekende dat de teloorgang van De Bovenlanden.

(Vragen, opmerkingen? Email via WWW.KRACHT.LEGAL)

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Geplaatst in Architectuur, Auteursrecht | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Brexit, schmexit!

606px-Delacroix_-_La_liberte-1And so it came to pass that the people of the United Kingdom voted out of the European Union. Now that voting for ‘independence’ has begun, the European Union might not be so very united after all. Why is it so difficult to spell out the advantages of the European Union?

The European Union was intended as a means to safeguard Europe against further wars like WW 1 (‘The Great War’) and WW 2. World War II was the deadliest military conflict in history. Over 60 million people were killed, and the human suffering caused on top of that can’t be over-estimated.

A war tends to blast a country to bits, the money system collapses as actual products get scarce, food supply grinds to a halt, and people get maimed and killed. Once the war is over, re-building it may be good for the economy, but in general the countries that profit  most are usually not the countries that have been destroyed.

So it’s a good idea to stop this cycle of creation and destruction, and create peace and welfare through trade, hence the EU. After all, in the past trade has brought us knowledge, tonnes of money, and hitherto unknown and interesting products like broccoli and papayas. Personally, I think broccoli is preferable to war, but some people might disagree.

However, these days, politicians complain about the many rules and regulations, the disadvantages of the Euro, and of course the impossibility to stop immigration. But are these legitimate complaints?

The EU is in essence a body of legislation that regulates trade. The rules etc. help people and companies to do business all across Europe. If each country has its own definition of ‘broccoli’ then it’s harder to sell the stuff abroad, since people don’t know what they’re going to be buying and might be reluctant to do so. Same with import tariffs. If each country can randomly slap an extra price tag on products from ‘abroad’, trade will be hindered. As for intellectual property rights, manufacturers obviously have an easier time of it if their rights are recognised in as wide a territory as possible. For instance, European rules have helped Dutch creative professionals to receive an equitable remuneration from cable companies that broadcast television programmes in Poland.

As for the Euro, since a money system is all about trust and symbols, it’s an obvious advantage if everybody trusts the same symbolic European currency instead of devising a zillion separate systems that may or may not have any value. We weren’t better off when we were trading sheep skins against broccoli; or trading Florins against Greek Drachmas that could lose their value in the blink of an eye. If a central European bank is needed, and thus a system whereby a political union is realised so as to keep the faith in that one currency, that seems a small price to pay for peace and stability.

Migration and immigration has in the past been a way of redistributing wealth. Poor people travel to rich countries and try to get a little richer themselves; and in the course of a few generations they usually are better off than before – and interestingly, the people in their new country have not gotten any poorer, quite the reverse. Immigration is a problem in a world where trade is limited,  money can’t be trusted and the balance of power may shift at any moment – immigration is not a problem in a well-regulated vast marketplace consisting of a lot of countries trading with each other, where the poor have a reasonable expectation of being able to carve out an existence.

What the Brexiteers seem to have forgotten, is that Europe may have a rich heritage, but that heritage has been wrought from a staggering amount of wars. These wars have been waged between empires and kingdoms, between states the size of Sardinia and the size of the Ottoman Empire, and these wars have all been made possible through the absence of a unified body of laws and a mal-functioning or absent judicial system to deal with transgressions.

To name a few wars during the 19th century: the Napoleonic wars, including wars between France and Sweden, Poland, The Netherlands, Italy and Spain; wars between the Russian empire and Great Britain; between the Ottoman empire and a slew of eastern European countries including the occupation of Greece; between Denmark, Norway, France, Sweden and Great Britain; a slew of revolutions in Poland, France, German and Italian states; between the Italian states and the Austrian empire; the Crimean wars; wars between Prussia and the Austrian empire; German civil war; war between France and Prussia – and this is not even including any wars between a European country and some other country abroad, like in the Middle East, Latin America or Africa, or with the not-so United States.

The succes of the European Union is really its ability to curb the lust for bloodshed of the ruling class and put a system of mutually beneficial trade in place, thereby creating a fairly prosporous population. That system may not be perfect but at least it seems to work. Best of all, contrary to popular belief, that system is based on the creation of a greater territory; where in the past such a territory was created through warfare, and the benefits of a bigger territory were reaped by only a few – mostly by kings and merchants.

Maybe the Brexiteers don’t really care for that, maybe they truly believe that the world is safe and sound now, or that it’s possible to close the door to their country as though the UK is a little house on the prairie. But as the merest knowledge of European history shows, it’s not really a good idea to have a bunch of separate countries lusting after the spoils of war – whereas it is a good idea to have a general rule of law and a well-regulated single market.

(This blog tends to be in Dutch, however on this occassion it’s not. WWW.KRACHT.LEGAL)

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Aspecten van eHealth

IBM kopieZoals bekend, wordt ook in de zorg druk gezocht naar manieren om sneller, efficiënter en goedkoper te kunnen werken. Reden daarvoor is dat de wereldbevolking snel groeit en bovendien steeds ouder wordt, zodat de kosten voor zorgverlening stijgen. Tegelijkertijd staat tegenover die kosten een afgenomen bereidheid van overheden om de budgetten te handhaven. Tijd voor een blik op ‘eHealth’ of ‘Healthtech’.

De markt voor medische zorg is huge: volgens cijfers van de Wereldbank wordt alleen al in Nederland ongeveer 11% van het BNP besteed aan zorg. Volgens een artikel in De Correspondent ging het in 2013 om een bedrag van ruwweg 92 miljard euro.

In een rapport van DeLoitte wordt opgemerkt dat de kosten niet uitsluitend worden veroorzaakt door problemen, maar juist ook door oplossingen: “increasing costs can also signal positive developments such as amazing new medical treatments and innovative technologies that may one day cure diseases that were formerly incurable.” Over wat voor ‘innovative technologies’ hebben we ’t dan, en – ook belangrijk – wat voor juridische consequenties vallen daarvan te verwachten?

Ik was onlangs bij een bijeenkomst (‘Amsterdam talks tech‘) waar vertegenwoordigers van een aantal bedrijven hun zegje kwamen doen, waaronder het Amerikaanse IBM en het Nederlandse TinyBots. De oplossing van TinyBots leek op het eerste gezicht eenvoudig: een statisch robotje dat met demente bejaarden praat en eenvoudige dingen doet, zoals een muziekje opzetten (zie het promofilmpje hier). Het apparaat is vormgegeven als Humpty Dumpty met een grijze hoed.

Maar dan IBM! Sinds enige jaren werkt IBM aan een kunstmatig intelligentie-systeem genaamd ‘Watson’, met specifieke toepassingen voor de gezondheidsindustrie. Wat Watson doet – kort samengevat – is alle medische informatie ter wereld verzamelen en interpreteren, en desgevraagd een voorstel doen voor de behandeling van een bepaalde aandoening. Eén van de dingen die Watson nu al kan, en wat geen enkele arts ter wereld hem nadoet, is alle (Engelstalige) research lezen die gepubliceerd wordt (“Watson can read 40 million documents in 15 seconds”).

Een vraag die meteen opkwam, was uiteraard hoe dit soort medische oplossingen kunnen worden beschermd tegen concurrenten. Wat IBM betreft, lijkt de bescherming alleen al voort te komen uit de reusachtige investering die er nodig is. Behalve een intelligente computer (die beschermd wordt door het octrooirecht, al dan niet in samenhang met het auteursrecht), is Watson namelijk ook een reusachtige databank. Het opbouwen van zo’n databank is dermate kostbaar dat het weinig bedrijven gegeven zal zijn om een eigen versie te bouwen. IBM’s databank wordt uiteraard tegen plunderaars beschermd middels het databankenrecht. (Zie ook deze blog voor een inleiding in dat recht.)

Voor de TinyBots-zorgrobot is het minder duidelijk hoe het kan worden beschermd; het idee lijkt vrij gemakkelijk over te nemen, maar wellicht dat er allerlei zeer specifieke (gepatenteerde) uitvindingen voor nodig zijn om een dergelijke robot te laten werken.

Aan de andere kant liggen de gevaren voor de producenten van dit soort ‘eHealth’-oplossingen schijnbaar op de loer. Vooral Watson lijkt in dat opzicht dankbaar (nog afgezien van het feit dat er een kapitaalkrachtige producent achter zit, waar dus wat te halen valt). Te denken valt aan  aansprakelijkheid: stel dat Watson een verkeerde diagnose stelt, wie is daar dan voor verantwoordelijk? Stel dat er op een cruciaal moment een computerstoring plaats vindt? En wat zijn de privacy-aspecten van een databank vol patiëntengegevens, wie is er verantwoordelijk voor een schending; wie is er verantwoordelijk wanneer het systeem wordt gehackt?

Het is zonder meer duidelijk dat bij dit soort high tech oplossingen  aansprakelijkheidskwesties van begin af aan al in het design moeten zitten. Zeker met de reusachtige bedragen die er in de zorg omgaan, ligt het voor de hand om niet nonchalant om te gaan met enerzijds de bescherming tegen imitatie en anderzijds de bescherming tegen aansprakelijkheid.

(Vragen, opmerkingen? WWW.KRACHT.LEGAL)

 

Bewaren

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Auteursrecht, Maatschappij, Octrooirecht | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Een aannemer met persoonlijkheidsrechten?

FD 2 juni 2016Een intrigerend artikel op p.17  in het Financieele Dagblad van 2 juni: “Bouwer vult nu ook de zeeppompjes en hangt de handdoekjes op.” Strekking van het artikel is dat bouwbedrijven tegenwoordig niet alleen (ver)bouwen maar ook de inrichting (i.c. van hotels) voor hun rekening nemen. Een interessante ontwikkeling, die de rechtsverhoudingen tussen opdrachtgever en bouwer behoorlijk op z’n kop kan zetten.

Ooit hoorde ik van een bevriend advocaat over de voortdurende bemoeizucht van de architect van hun nieuwe gebouw. Geruime tijd na oplevering kwam de architect nog regelmatig langs om persoonlijk de vakantiefoto’s van werknemers van de muur te trekken. In haar ogen bezoedelden die vakantiefoto’s namelijk het ontwerp.

De architect vond dat zij hiertoe gerechtigd was op grond van art. 25 van de Auteurswet; dit betreft de zogeheten ‘persoonlijkheidsrechten’. Specifiek van belang is het eerste lid van dit artikel, waarin onder meer staat dat een maker zich kan verzetten “tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid”.

De rechten van art. 25 Aw komen toe aan de maker ongeacht of hij/zij het auteursrecht heeft overgedragen. In de praktijk beroepen makers zich nog wel eens op dit artikel als bijvoorbeeld een gebouw dreigt te worden gesloopt, of een kunstwerk dreigt te worden verplaatst naar een minder gunstig gelegen plek.

Een beroep op dit artikel is lang niet altijd kansloos. Bijvoorbeeld oordeelde de Rechtbank Almelo in een uitspraak uit 2008 in het voordeel van de ontwerper van een monument, nadat de ontwerper zich verzet had tegen verplaatsing. Weliswaar was het kunstwerk inmiddels al op een andere plek neergezet en hoefde de gemeente in kwestie het kunstwerk niet terug te plaatsen, maar de gemeente moest wèl een schadevergoeding betalen.

En dat brengt me dan weer bij de aanleiding voor deze blog. Als een bouwer niet langer uitsluitend uitvoerende is, maar ook (mede)ontwerper wordt, wordt hij een maker in de zin van de Auteurswet. Hij krijgt dan niet alleen auteursrechten, maar ook persoonlijkheidsrechten. In de praktijk zullen de auteursrechten voor zover nodig worden overgedragen aan de opdrachtgever, maar dat laat de persoonlijkheidsrechten onverlet. (Overigens is het de vraag of een bouwbedrijf persoonlijkheidsrechten kan hebben, maar daar ga ik gemakshalve maar even vanuit. Zie ook deze blog van Arnoud Engelfriet.)

De door het FD gesignaleerde ontwikkeling kan tot gevolg hebben dat de rechtsverhoudingen tussen opdrachtgever en bouwer veranderen, in die zin dat een opdrachtgever bij wijzigingen kan stuiten op verzet van de oorspronkelijke bouwer. Denkbaar is dat dergelijk verzet in de praktijk bijvoorbeeld zal kunnen worden afgekocht door voor een nieuwe verbouwing weer met dezelfde bouwer in zee te gaan (wat dan weer gevolgen kan hebben voor de te betalen vergoedingen).

Bij alle bouw en verbouw deed een verstandige opdrachtgever er al goed aan om zich rekenschap te geven van de auteursrechten op het werk (zie ook mijn eerdere blog over bouwen zonder een regeling met de architect van het ontwerp). Maar als de ontwikkeling van bouwbedrijven tot ontwerpbedrijven zich doorzet, doen opdrachtgevers er bovendien voortaan goed aan om in hun contracten met de bouwbedrijven alvast rekening  te houden met toekomstige wijzigingen van het ontwerp.

(Vragen, opmerkingen? Neem contact op via WWW.KRACHT.LEGAL)

 

 

Geplaatst in Architectuur, Auteursrecht, Licenties, Maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Once upon a time: Stichting Brein en het sprookje van het grote vergiet

Brein kopieAls de Intellectuele Eigendom een sprookje is, dan speelt de Stichting Brein daarin een rol als boze stiefmoeder. Schrijvers, acteurs en andere kunstenaars vervullen – uiteraard – collectief de rol van de in een toren opgesloten prinses. En de inbreukmakers, tja, die zijn dan waarschijnlijk te vergelijken met een veelkoppige draak. De vraag is: welke prins gaat er voor de goede afloop zorgen?

Ik moest hieraan denken, toen ik op IE Forum een zogenaamd ‘ex parte bevel’ las. Dat is een vonnis van de rechtbank, waarin een partij bevolen wordt om een bepaalde handeling te staken, zonder dat de betreffende partij door de rechtbank is gehoord. Een dergelijk bevel is in strijd met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor- en wederhoor en zou dan ook alleen in uitzonderlijke gevallen mogen worden toegewezen. In de IE praktijk is daar bijvoorbeeld sprake van wanneer er gevreesd kan worden dat een malafide handelaar zich uit de voeten zal maken wanneer hij eerst netjes zou worden gedagvaard.

Het vonnis in kwestie is van de Rechtbank Amsterdam en stamt van 21 april 2016. Het bevel richt zich tot (tegen?) een in Turkije gevestigde handelaar in illegaal gekopiëerde dvd’s. De handelaar biedt zijn waren aan via Marktplaats.nl, en is op die manier in het vizier gekomen van stichting Brein. Stichting Brein handhaaft rechten van allerlei organisaties van rechthebbenden, waaronder BUMA/STEMRA. De rechtbank beveelt de Turkse handelaar om op te houden met ‘het ongeautoriseerd openbaar maken van werken’ waarvan de auteursrechten berusten bij stichting Brein. Zonder een kik te hebben kunnen geven, zal de handelaar zijn handeltje (in Nederland…) moeten staken of dwangsommen gaan betalen.

Maar zoals ik in de inleiding al schreef, het lijkt wel een sprookje. In ieder geval is de handelaar een draak met veel koppen. Op Marktplaats adverteert hij voor dvd’s met populaire t.v.series (onder meer voor, echt waar, ‘Once upon a time’) en computerspelletjes (‘Sims’); en zodra Marktplaats op verzoek van BREIN zo’n advertentie verwijdert, duikt er een nieuwe advertentie op, onder een andere naam maar met dezelfde inhoud. Brein legt zich er echter niet bij neer en tot in Istanbul (Terzijde: Istanbul heette vroeger Constantinopel, maar die naam hebben ze later veranderd, niemand weet waarom) achtervolgt Brein de draak-handelaar (lees vooral alinea’s 8 t/m 15 van Brein’s verzoekschrift om een indruk te krijgen van de nijvere bezigheden ten kantore Brein).

Ik zal het maar eerlijk zeggen, de stichting Brein voert mijns inziens een verloren strijd. Ze voert al jarenlang rechtszaken tegen allerlei ongeautoriseerde aanbieders van auteursrechtelijk beschermd materiaal (denk aan The Pirate Bay), maar de vraag is wat Brein met al haar nijvere werk uiteindelijk is opgeschoten? Het internet maakt het nu eenmaal mogelijk om alles wat digitaal is eenvoudig te verspreiden en die handel is blijkbaar zó lucratief dat er over de hele wereld mensen zijn die zich daarmee bezig houden. (Terzijde: in dit geval ging het overigens om een handelaar die per post kopieën verstuurde of speciaal voor een klant digitale bestanden uploadde, dus heel gewiekst was het niet; hij gebruikte het internet vooral als marktkraam.)

Brein doet voor films en games wat de Amerikaanse muziekindustrie deed bij de opkomst van internet: in plaats van te helpen een goed alternatief te ontwikkelen, voert ze rechtszaken. En het is natuurlijk waar dat die handelaren ook maar profiteurs zijn, die niet alleen voor weinig op de eerste rang willen zitten, maar zelfs voor minder dan een dubbeltje het hele circus willen overnemen. Zoals echter uit het echec rond mp3-dienst Napster is gebleken (lees dit artikel uit 2013 in The Guardian), is het probleem groter dan een enkele aanbieder. In dit geval heeft Brein een klein hoofdje van een reusachtige draak afgeslagen, maar uit die wond groeien dagelijks tientallen (duizenden!) nieuwe hoofden.

Brein is geen prins, ook al vecht ze dan met draken; Brein is meer een soort Don Quichot (en voor sommige handelaren dus een boze stiefmoeder). Daarmee blijft het de vraag welke prins er wèl voor kan zorgen dat louche handelaren niet eindeloos door kunnen gaan met het auteursrecht te negeren? De enige uitweg die ik kan zien, is dat er naast geweldige diensten als Spotify – of in mindere mate Netflix – goede webdiensten komen met een collectief licentiemodel à la radio of televisie. De licentie als knappe prins, waarom niet?

(Vragen, opmerkingen? WWW.KRACHT.LEGAL)

Geplaatst in Auteursrecht, Downloaden, Effectief procederen, Internet, Licenties, Procesrecht | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Geen bescherming voor ’t Dokkumer Lokaaltje

NFLS screenshotEen telkens terugkerend probleem is de bescherming van een idee: creatieve mensen, al dan niet via een bedrijf, hebben voor de uitwerking van hun ideeën de hulp nodig van machtige(r) partijen, maar weten niet hoe ze kunnen voorkomen dat hun idee wordt ‘gestolen’. Een triest voorbeeld van hoe het mis kan gaan, levert een  uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 20 april 2016 (Stichting Noord Friesche Lokaal Spoorwegmaatschappij tegen De Gemeente Leeuwarderadeel).

In Friesland, in de buurt van Leeuwarderadeel, ligt het tracé van een voormalige lokale spoorlijn, het ‘Dokkumer Lokaaltje’. Staatsbosbeheer heeft in 2004 voorgesteld om van de oude spoorlijn een ‘ecologische fietsroute’ te maken, maar pas als in 2009 de projectontwikkelaar G.R.A. -CV (‘GRA’) betrokken raakt, worden de plannen concreet. GRA doet onderzoek naar wat er nog meer mogelijk is met het oude spoortracé, richt de Stichting Noord Friesche Lokaal Spoorwegmaatschappij (‘NFLS’) op, overlegt met de Gemeente Leeuwarderadeel, verwerft twee voormalige spoorbruggen, brengt een brochure uit over haar plannen – en kortom, GRA/NFLS zijn goed bezig!

Kern van de plannen is om een toeristenattractie te maken van het herontwikkelde spoor (inclusief een te herbouwen oud stationsgebouw) . Een goed plan, daar lijken alle partijen het over eens te zijn, maar enkele jaren later (we zijn dan inmiddels in 2014) is NFLS nog immer bezig met het opstellen van telkens nieuwe projectplannen en masterplannen, terwijl er van het daadwerkelijk aanleggen van de beoogde toeristische attracties nog geen sprake is. En dan gaat het mis.

De Gemeente besluit dat ze wel zonder NFLS kan. Ze koopt het betreffende spoortracé van ProRail en verspreidt (eind 2015) een brochure over de aanleg van een wandel- en fietsroute langs het ‘Dokkumer Lokaaltje’. Maar NFLS reageert hier nogal anders op dan verwacht: NFLS stelt de Gemeente aansprakelijk wegens auteursrechtinbreuk op haar plannen en op de brochure van NFLS. Dat pakt rampzalig uit.

De rechtbank kijkt eerst of het überhaupt mogelijk is dat NFLS een auteursrecht kan doen gelden op het plan tot herontwikkeling van de spoorlijn. Ze constateert dat dit kan (r.o. 4.3), maar komt na wat wikken en wegen tot de conclusie dat het idee “om een oude spoorlijn die nog steeds deels in het landschap aanwezig is (…) te herontwikkelen tot een toeristische trekpleister (…) een beproefd concept is dat al vele malen eerder is bedacht en uitgevoerd op diverse plekken in Nederland en daarbuiten.” Het plan van NFLS is dus niet oorspronkelijk genoeg om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen.

Van een inbreuk op de brochure is ook geen sprake, omdat (r.o. 4.11) een wezenlijk onderdeel van het plan van NFLS (‘spoorfietsen’, zie bijvoorbeeld HIER) niet is opgenomen in de brochure. Bovendien maakt de brochure van de Gemeente een andere ‘totaalindruk’ dan de brochure van NFLS. Het auteursrecht kan dus niet helpen. NFLS heeft tot slot nog een vordering ingesteld op grond van onrechtmatige daad, maar heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat de Gemeente bewust net zo’n soort brochure heeft gemaakt als NFLS (r.o. 4.15). Dat was een verkeerde keuze, want de rechtbank had al geoordeeld dat de brochures nìet op elkaar lijken, dus daar stranden de vorderingen van NFLS meteen op.

Waarom is dit alles van belang? Omdat, als je het mij vraagt, NFLS de plank volledig mis heeft geslagen met haar vorderingen. De werkelijke kwestie is natuurlijk helemaal niet dat de Gemeente enig auteursrecht heeft geschonden, maar dat de Gemeente jarenlang achterover heeft geleund terwijl GRA en NFLS een plan ontwikkelden hoe van het Dokkumer Lokaaltje een toeristenattractie kon worden gemaakt. En op het moment dat GRA en NFLS hadden laten zien wat er mogelijk was en hoe zoiets zou moeten worden aangepakt, ging de Gemeente er met de inspanningen van GRA/NFLS vandoor.

De vraag is hoe GRA en NFLS deze rampzalige ontwikkeling hadden kunnen voorkomen? Het antwoord daarop lijkt niet zo ingewikkeld: ze hadden tussentijds met de Gemeente al afspraken moeten maken over wat GRA en NFLS daadwerkelijk gingen doen. GRA c.s. hadden sneller tot uitvoering van hun plannen moeten overgaan, en ze hadden de Gemeente (schriftelijk) moeten laten weten (i) wat er van de Gemeente verwacht werd, en (ii) op welke manier de Gemeente geacht werd daar aan toe te zijn gekomen. En bovenal hadden GRA c.s. de Gemeente moeten ‘verleiden’ om concrete uitspraken te doen over de verhouding tussen GRA/NFLS en de Gemeente (met andere woorden: op schrift stellen van verantwoordelijkheden).

Goed advies in dit soort zaken lijkt misschien nogal makkelijke wijsheid-achteraf. Maar dat geldt niet voor het vervolg van deze rechtszaak. Het ontwikkelen van een plan voor herontwikkeling mag dan misschien niet berusten op een aaneenschakeling van originele keuzes, het lijkt mij uiterst onjuist (en onnodig) dat GRA en NFLS na bijna zes jaar plannen, investeren en overleggen met lege handen achterblijven.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos@kracht-advocatuur.com)

 

 

Geplaatst in Aansprakelijkheid, Auteursrecht, Effectief procederen, Onrechtmatige daad | Tags: , , , , | 2 reacties